Stravinsky en Schönberg in woorden gevangen

Als een reisleider voert Alex Ross zijn publiek door de het veelstromenland van de hedendaagse muziek. Van Mahler en Strauss tot Tan Dun en Andriessen....

Ervan uitgaande dat de eenentwintigste eeuw op 1 januari 2000 begon, loopt het eerste decennium ervan met ingang van dit jaar echt op zijn einde. Dat biedt de mogelijkheid om met enige distantie terug te blikken op de afgelopen eeuw. Alex Ross, de muziekcriticus van de New Yorker, heeft die kans aangegrepen. Het resultaat, een stevige pil van zeshonderd pagina’s heet, met een knipoog naar Hamlet, The rest is noise.

Het perspectief op het verleden verandert naarmate de tijd verstrijkt. En dat effect ijlt lang na. Zo kijken we nu met een heel andere blik naar de Tweede Wereldoorlog dan in de jaren zestig en zeventig. En over dertig jaar zal het weer anders zijn. Ook Ross’ visie op dat tijdperk – dat ook in muzikaal opzicht een waterscheiding was – wijkt ongetwijfeld af van wat er twintig jaar geleden over gedacht en geschreven werd. Alleen al de val van de Muur in 1989 heeft in muzikaal opzicht vele grenzen ontsloten.

De grote verdienste van Ross’ veelgeprezen boek is dat hij het labyrintisch veelstromengebied dat de muziek in de loop van de twintigste eeuw geworden is in kaart brengt, met inbegrip van de sociale en politieke context. Dat doet hij in soepel proza en met een plastisch taalgebruik, ook – ja, juist – wanneer hij het schier onmogelijke waagt, namelijk het in woorden vangen van de muzikale ervaringen die de sleutelwerken van Stravinsky, Messiaen en al die anderen teweegbrengen. Een beetje wollig is het soms wel: zo lezen we dat in Harrison Birtwistles opera Punch and Judy sprake is van een ‘kreunend instrumentaal landschap’.

Als een ware reisleider voert Ross zijn lezerspubliek mee door de grote rivierdelta van het hedendaagse componeren, te beginnen met de oerbron, de overrijpe Romantiek van Mahler en Strauss. Daaruit volgen de wegen van de atonaliteit en het neoclassicisme, met respectievelijk Schönberg en Stravinsky als voormannen. Die ontwikkeling is uiteraard al heel vaak beschreven. Nieuwe accenten vinden we waar de componisten Sjostakovitsj en Britten, in de jaren zestig en zeventig verguisd door de avant-gardisten, het gewicht krijgen dat hun in het laatste kwart van de eeuw ook in de concertpraktijk is toegekend. Ross beschrijft de vele breekpunten die de Tweede Wereldoorlog teweegbracht en de stilistische versnippering die vooral in de jaren zestig opgeld deed. Ook de jongste ontwikkelingen, zoals de opkomst van de Russische componisten na de val van de Muur, en de nog recentere successen van Chinese componisten als Tan Dun, ontbreken niet. Jazz en pop komen maar mondjesmaat aan bod, in weerwil van de lans die Ross in zijn voorwoord breekt voor het belang van deze naburige muzieksoorten.

De invalshoek van Ross’ veelgeprezen boek is onmiskenbaar Amerikaans. Tussen de regels van de objectiverende beschrijvingen door kun je bij Ross een zekere afkeer van het modernisme bespeuren, zeker als hij dat in verband brengt met de ‘culturele vrijgevigheid van de Europese verzorgingsstaat’. Zo schrijft hij: ‘Europese componisten worden wellicht binnenkort met een interessante uitdaging geconfronteerd die Amerikaanse componisten allang kennen, namelijk te moeten schrijven voor een betalend publiek.’

De titel The rest is noise, wekt, hoe pakkend ook, de suggestie dat alles wat in dit standaardwerk onvermeld is gebleven, er niet toe doet. In dat licht is het geruststellend dat er althans één Nederlandse componist in genoemd wordt – Louis Andriessen.

Wat rest is de constatering dat de Nederlandse vertaling erbarmelijk is. Misbaksels als ‘contrapuntaal’ en ‘contrapunctueel’, waar ‘contrapuntisch’ had moeten staan, wijzen er op dat de beide vertalers te weinig verstand van muziek hebben om een klus als deze te klaren. Lees dit boek dus in het Engels als het even kan. De paperback-editie is onlangs uitgekomen, dus dat bespaart zowel ergernis als geld.Frits van der Waa

Meer over