Straatmeid of Zuivere Dame

Menno ter Braak was in 1927 een van de oprichters van de Filmliga. In 'Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga 1927-1933' wordt hij afgeschilderd als de kwade genius die het cultuurdebat heeft opgezadeld met de eeuwige tegenstelling tussen 'hoog' en 'laag'....

BIJNA vier jaar was Menno ter Braak de intellectuele scherpslijper geweest van de Nederlandsche Filmliga die hij in 1927 mee had helpen oprichten. En toen was het ineens afgelopen.

'Het is symptomatisch', schreef hij op 24 april 1931 aan zijn verse vriend Du Perron, 'dat ik, nu jan-en-alleman over montage en cineasten praat, hoe langer hoe meer de pest krijg aan de film ''als kunstuiting''. Ik geneer me altijd als ik voor den specialen filmdeskundige word aangezien, terwijl de heele filmgeschiedenis voor mij geen andere beteekenis heeft dan die van een doorgangshuis.'

Op dat moment was hij nog altijd secretaris-penningmeester van de Liga, redacteur van het gelijknamige blad dat hij maandelijks hielp volschrijven met hoogst deskundige beschouwingen en kritieken, en auteur van een net verschenen pamflet dat De absolute film heette en waarin hij nog eens vurig had gepleit voor de erkenning van de film als kunstuiting.

Beetje dubbelhartig, zou je zeggen.

Als verklarende omstandigheid moet misschien worden aangevoerd dat hij, zeker in de eerste maanden na hun kennismaking, geneigd was zich soms haast serviel te plooien naar de smaak en de nukken van de dominante Du Perron, voor wie het diepzinnig getheoretiseer over de abstracte experimenten van Walter Ruttmann een vorm was van 'zelfverneukerij', en die na het zien van een aanbevolen kunstfilm verzuchtte: 'Een per-fect kunst-werk. Ik heb me dan ook weer serieus verveeld.'

Nou zal Ter Braak ook weer niet zo karakterloos zijn geweest dat hij alleen maar om bij Du Perron in het gevlij te komen, z'n Liga-kameraden zou hebben verloochend. De bevlieging voor de 'pure cinema' had waarschijnlijk sowieso haar langste tijd gehad – zoals een hartstochtelijke verliefdheid nou eenmaal nooit het eeuwige leven heeft.

In die dagen voltooide hij een roman waarover zijn bewonderaars altijd een beetje verontschuldigend en wegwuiverig hebben gedaan: net als zijn grote voorganger Busken Huet wist hij precies wat goede romans waren, maar hij kon ze zelf niet schrijven. Ook Dr Dumay verliest werd een nogal onbeholpen draak, over een nette gymnasiumleraar die tijdelijk het hoofd verliest aan een dommig blondje van mindere komaf, maar die te elfder ure tot inkeer komt, en de relatie hervat met een oudere wijze vriendin van zijn eigen niveau. 'Dumay nam haar hand. Achter de ramen scheen de tijd te pauzeren.'

Einde.

Geen gedenkwaardige bijdrage aan de Nederlandse letterkunde. Maar als je voor de blonde Karin 'film' leest (van huis uit een straatmeid tenslotte, die Ter Braak een poosje idealiseerde tot de Absolute Vrouw), en voor de wijze vriendin 'literatuur' (of desnoods Du Perron) – dan krijgt het mislukte boek ineens betekenis voor Ter Braaks biografie. Waarbij het aardig is te bedenken dat hij bij de Liga z'n hielen nog niet had gelicht, of hij richtte met Du Perron het tijdschrift Forum op. Dat zou het ware huwelijk blijken. En naar de al dan niet absolute film heeft hij daarna nooit meer omgekeken.

'Een jeugdzonde', zou hij het zelf noemen, en nog geen jaar later in Démasqué der schoonheid: 'Wie het boekje De Absolute Film van de aestheet Ter Braak gelezen heeft, weet waarom ik dat verfijnde geschrift verwerp.'

Wat had de aestheet intussen teweeggebracht in het filmklimaat van de late jaren twintig?

In zijn bijdrage aan Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga (Het gaat om de film!) probeert Hans Schoots te beredeneren dat de invloed van Ter Braak als onmiskenbare leidsman van de jonge Liga-Turken, eigenlijk heel verderflijk is geweest, en dat die invloed nog steeds niet is uitgewerkt: 'Omdat de opvattingen van de Flimliga deel waren van een nog altijd voortlevende brede traditie in het denken over kunst en cultuur, volstaat het niet over de Liga te spreken als over een zaak van voorbije dagen.

Het gaat om een nog altijd actuele discussie waarin de relatie tussen 'hoge' en 'lage' cultuur centraal staat.'

Daar zit wat in.

Ter Braak en zijn bentgenoten bonden de strijd aan met de bioscoop die voor hen het symbool was van wansmaak, volksverlakking, massaproductie en oncultuur. Uit dat door Amerikaanse woekeraars en Tuschinski-achtige profiteurs bewaakte inferno zouden zij de zuivere film redden, want die was er, en die moest zorgvuldig terug naar de 'bovenwereld' waar ze naast de muziek, de literatuur, het theater en de beeldende kunst voorgoed kon worden gekoesterd als een Tiende Muze.

Zo sleepten zij als ware Orpheusen de geliefde cinema van Pudovkin, Ruttmann, Richter, Cavalcanti en nog een handjevol anderen voor de poorten van de hel weg, om haar onder te brengen in strenge zaaltjes (zonder ordinaire goochelaars, zonder IJsco-Norico-reclame en liefst ook zonder muziek) waar een even artistiek als devoot, en dus per definitie klein publiek er kennis van kon nemen. Niet in de pseudo-moorse barok van de Reguliersbreestraat, maar in de op een witte Bechsteinvleugel na onaangeklede eenvoud van De Uitkijk aan de Prinsengracht.

Nou klinkt dat gereformeerder dan het was.

De Liga-programma's (waarvan vijftien 'reconstructies' deze weken in het Filmmuseum worden vertoond) moeten heel geanimeerde bijeenkomsten hebben opgeleverd, vaak ingeleid door de buitenlandse makers – bij voorkeur 'cineasten' genoemd – en altijd verlevendigd door al dan niet opgewonden discussies. Er zat steeds een vleug van kosmopolitisme aan, en in andere Europese landen, waar soortgelijke 'ciné-clubs' actief waren, werd met bewondering of zelfs jaloezie naar de Nederlandse collega's opgekeken.

Maar leerstellig waren de Hollanders zonder enige twijfel, en wat hen inderdaad nog altijd verweten kan worden is de krampachtigheid waarmee ze de films van hun etherische voorkeur – de films waarbij Du Perron zich serieus verveelde – van de cinematografische hoofdstroom hebben willen isoleren.

Kenmerkend is in dat opzicht de aanleiding van Ter Braaks formele breuk met z'n bentgenoten. Een door Du Perron stokebranderig naar het tijdschrift Liga opgestuurde vernietigende kritiek op Shanghai express werd door de redactie geweigerd – waarop Ter Braak z'n literaire vriend hartstochtelijk bijviel, en z'n oude filmvrienden in de kou liet staan. Terwijl de film van Von Sternberg (met de 'lage' Marlene Dietrich in de hoofdrol) toch een mooi voorbeeld was van 'verzoening' tussen kunstfilm en bioscoopfilm.

Nu kom je in elke avant-gardistische beweging duiven tegen naast haviken, rekkelijken naast preciezen en realo's naast fundi's. Ter Braak was – zolang z'n liaison met de Liga duurde – ongetwijfeld een fundi. Maar de mate waarin en de wijze waarop Hans Schoots hem in z'n opstel afschildert als de kwade genius van wie we in het cultuurdebat tot op deze dag nog altijd last hebben, lijkt me nogal disproportioneel.

Nog even los van de toon – alsof hij nog een persoonlijk appeltje heeft te schillen – los ook van soms karikaturale voorstellingen van zaken (zoals de vergelijking tussen 'Hollywood' en de artistieke productieprocessen in de Middeleeuwen en ten tijde van de Renaissance) schiet Schoots betoog te kort in wat er juist van beloofd wordt: de Filmliga te plaatsen 'in het toenmalige cultureel landschap'.

Dat landschap werd beheerst door de huivering voor twee nieuwe ontwikkelingen in de samenleving: de nog schuchtere democratisering en de in veler ogen veel bedreigender massificatie. Nergens zijn die huiveringen zo scherp en voor een hele generatie zo bindend onder woorden gebracht als in Opstand der Horden (1926) van Ortega y Gasset, die door Ter Braak werd bewonderd als 'de Erasmus der historische rede'.

De angst voor de 'horden' (dat onaardige woord komt op rekening van de vertaler; Ortega sprak zelf neutraal van las masas) was allerminst Terbrakiaans of alleen maar Nederlands, hij was Europees, en hij werd versterkt door de opkomst van de grote massabewegingen van communisme en fascisme. Want de huiveraars hielden niet alleen hun hart vast voor de overlevingskansen van de traditionele, 'burgerlijke' cultuur – ze zagen het ook misgaan met het vertrouwde politieke en sociaal-culturele evenwicht, en bij uitbreiding met het leven van alledag.

'Onze tijd is vergroofd', constateerde de uitgever W.L. Brusse al vroeg in de jaren twintig. En hij vervolgde: 'Van een openbaar geestelijk leven is weinig meer over. De oorlog met zijn afzichtelijkheden tegen het lijfelijke leven, maar ook zijn verleugening van het geestelijke, heeft de nu levende jeugd cynisch en onverschillig gemaakt. Het geraas van de sport, de football-match, de motorfiets en den auto: het bederf in de vergroofde politiek; de sensatie van de bioscoop – dit alles zijn factoren die de jeugd beïnvloeden, in beslag nemen en richten, en dus het boek

het zuiver geestelijk product – benadelen.'

Dat laatste was de aap uit de mouw van een eerbiedwaardige boekhandelaar die zijn omzet bedreigd zag, maar verder vertolkte hij de gevoelens die toentertijd bij de meerderheid van de Europese intelligentsia leefden, en die in het citaat des te schilderachtiger uitkomen, omdat Brusse alle onheil op één hoop veegt: de tot dusver anonieme en onzichtbare menigte, die ineens de straat op is gekomen, bij duizenden een voetbalstadion bevolkt, op motorfietsen rondraast, in de rij staat voor Cecil B. de Mille, zich zelfs met de vroeger aan de deftige burgerij voorbehouden politiek bemoeit – en nooit meer een boek leest.

Wat ook in Nederland op dat punt losbarstte na de stille, bange jaren van de Eerste Wereldoorlog, moet voor de tijdgenoot werkelijk revolutionair zijn geweest – en onze roaring twenties hebben dan misschien niet kunnen tippen aan de Amerikaanse, lawaai was er ineens wel. Wat zich voltrok was de revolutie van wat Edgar Morin ooit 'de culturele industrie' noemde. Hij schreef nog in 1962:

'De culturele intelligentsia leeft vanuit een waardebepalende, onderscheiden en aristocratische opvatting van de cultuur. Het begrip 20ste eeuwse cultuur roept bij hen daarom niet onmiddellijk de gedachte op aan een wereld van televisie, radio, bioscoop, comics, massapers, toerisme, vacantie, vrije tijd. Voor hen betekent dat begrip de wereld van Mondriaan, Picasso, Stravinsky, Alban Berg, Musil, Proust of Joyce.'

Met de 'culturele industrie' was de culturele intelligentsia met andere woorden ook in 1962 nog niet klaar gekomen, en zelfs aan het eind van de twintigste eeuw wordt bij elke nieuwe technologische injectie die de 'horde' dient, nog net zo hard gehuiverd als zeventig jaar geleden. En het is een beetje onzin, en een beetje onhistorisch, om dat nog altijd toe te rekenen aan die ene Nederlandse Ter Braak die een poosje heeft gedacht dat Walter Ruttmann de filmheilige der laatste dagen was.

Misschien ligt het in de natuur der dingen dat de ontmythologisering van de Filmliga waarvan de betekenis in Nederland heel lang is overschat, in Het gaat om de film! een beetje naar de andere kant doorslaat: alsof het clubje indertijd vooral uit mallotige zonderlingen zou hebben bestaan.

Dat klinkt ook enigszins door in de zeer aangenaam geschreven bijdrage van Céline Linssen die met evenveel ironie als diligentie de precieze ontwikkelingsgang van de zes Liga-jaren heeft gevolgd, en onderweg in de nodige overleveringen het mes heeft gezet – met als resultaat onder andere het saillante détail dat Pudovkins Moeder, waarbij de eerste Ligisten hun 'Eed van de kaatsbaan' zwoeren, na een paar maanden gewoon is vertoond in een vulgaire bioscoop.

Het opstel van de Amerikaanse filmhistoricus Tom Gunning is tenslotte een rechtvaardig tegengeluid. Hij gunt de Liga alsnog de eer die haar toekomt, en legt de nadruk op een gegeven dat vaak over het hoofd wordt gezien. De late bloei van de pure, zuivere of absolute film – die welbewust non-figuratief wilde zijn – had alles te maken met de 'eindtijd' van de stomme film. Een paar jaar later was met de komst van het geluid de fase van het exclusief kunstzinnige experiment voorgoed afgesloten.

Tenzij je de videoclip nog een achterkleinkind van de ware Cinema Militans zou willen noemen. Maar ik denk niet dat Ter Braak het daar mee eens zou zijn.

Meer over