Stoere bewindsman moest toch overstag

Achtergrond..

Van onze verslaggevers Harmen Bockma en Bart Dirks

Amsterdam/DEN HAAG Er is waarschijnlijk geen minister uit het kabinet-Balkenende IV die vaker met foto in de krant heeft gestaan dan Ronald Plasterk. De kunstwereld, met zijn vele openingen, prijsuitreikingen en festivals, was een biotoop waarin hij zich uitstekend thuis voelde. De VVD doopte hem minister van Feesten en Partijen.

Dat de minister graag overal zijn gezicht liet zien, was naar eigen zeggen omdat alleen al de aanwezigheid van een bewindspersoon steun betekent voor kunst. Maar zijn alomtegenwoordigheid verhulde dat hij eigenlijk na de beleidsnota Kunst van Leven (2007) niet veel meer aan nieuw kunstbeleid heeft gedaan. Het zal moeilijk zijn een bundel samen te stellen met verzameld werk van Plasterk over kunstbeleid.

Kunst van leven, gepresenteerd kort na zijn aantreden, was in feite een breuk met eerder gevoerd sociaal-democratisch kunstbeleid. Niet langer de kunst als instrument voor maatschappelijke verandering stond voorop, maar de nadruk op excellentie. Net als in de wetenschap moet toptalent worden gekoesterd. Om meer mensen aan de kunst te krijgen, werd een participatiefonds opgericht. Zo werd wel meer kunstbeleid uitbesteed aan fondsen.

Plasterk gaf graag blijk van enige stoerheid, en zijn duidelijkheid was in het begin verfrissend. Sterk was zijn reactie op een lobby van prominente oud-politici die het opnamen tegen bezuinigingen door het nieuwe Fonds voor de Podiumkunsten: ‘Elke burger heeft het recht een brief te schrijven aan de regering’, schreef hij, ‘dus ook inwoners van de Staatsliedenbuurt.’ Effectief verdedigde hij zo de autonomie van het Fonds.

Ook durfde hij het aan om in het uiterst gevoelige Rijksmuseum-dossier nog een jaar extra oponthoud te riskeren. De vraagprijs van aannemer BAM voor de renovatie was vele tientallen miljoenen euro’s hoger dan verwacht. Plasterk trok een streep en begon een nieuwe aanbestedingsronde. En inderdaad bleek het vele miljoenen goedkoper te kunnen.

Maar zijn aanvankelijke keiharde njet tegenover de Raad voor Cultuur bleek hij niet vol te kunnen houden. De Raad claimde in 2008 26 miljoen euro extra voor het nieuwe subsidiesysteem van kunstinstellingen. Plasterks afwijzende reactie – u dient mij te adviseren binnen het gegeven budget – beschouwde de Raad als een schoffering; hij weigerde een nieuw advies uit te brengen, waarna Plasterk alsnog overstag ging.

Zijn grootste nederlaag leed hij in de kwestie rond de locatie van het Nationaal Historisch Museum (NHM). De Tweede Kamer, die al grote moeite had met zijn eigenzinnige benoeming van twee jonge, brutale museumdirecteuren, dwong hem het museum alsnog te laten bouwen naast het Nederlands Openluchtmuseum, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Door akkoord te gaan, deed Plasterk afbreuk aan de eerder door hem sterk beklemtoonde autonomie van het nieuwe museum.

Plasterk was een groot voorstander van meer zelfstandigheid van de kunstsector, door van instellingen te eisen dat ze meer eigen inkomsten verwerven. De minister had goed door dat legitimering van het subsidiëren van kunst een steeds heikeler onderwerp wordt.

Het leek erop dat hij de kunst uit de wind wist te houden bij de grootscheepse bezuinigingen die eraan komen. Maar de Tweede Kamer dwong hem ook de kunstbegroting door te laten lichten.

De kunstwereld maakt zich grote zorgen over de toekomst. De angst voor de PVV, die het subsidiëren van kunst als een linkse hobby beschouwt, is groot. Wellicht zal de aanwezigheid van de man met de hoed nog node worden gemist.

Meer over