Stereotypen in perfecte ruimte-illusie

'Lucas Anakin Chong is geboren.' Een zoon! Zowel de moeder als de vader maakt het goed...

Star Wars is overal. In familieberichten. Op speelgoed-afdelingen. In party-centrum de Druiventros in Berkel-Enschot, waar een fandag wordt gehouden, en boven alles in de hoofden van dertigers, voor wie George Lucas' saga als een bijbel geldt vol moraliteiten én intrigerende namen. Lucas Anakin Chong is vernoemd naar zowel De Schepper als diens met licht en duisternis tobbende zoon.

The Phantom Menace is de mediageniekste prequel uit de geschiedenis van de film. Een nieuw, vierde Star Wars-avontuur, spelend in een tijd die aan deel een tot en met drie voorafgaat - de berichtgeving over de film sloeg een toon aan alsof een nog niet ontdekt werk van Aischylos was komen bovendrijven.

Het universum van George Lucas beperkt zich tot drie soorten mensen: goeden, afvalligen en slechteriken. Ridders Qui-Gon (Liam Neeson) en Obi-Wan Kenobi (Ewan McGregor) zijn braaf en edelmoedig tegelijk, de koningin van Naboo laat haar volk nimmer zakken en Yoda grossiert in cryptische wijsheden ('Angst is de weg naar woede. Woede leidt tot haat').

Aan de andere kant van de arena bevinden zich types van laag allooi, zoals Darth Maul (heeft het op koningin Amidala en haar planeet gemunt) en Darth Sidious, die alleen als hologram zijn opwachting maakt.

Tussen de partijen zweeft Anakin Skywalker, het jongetje dat in The Phantom Menace door het sterrenstelsel buitelt, maar van wie de liefhebbers weten dat hij, uit onvrede met zijn opleiding tot Jedi-ridder, voor de donkere kant gaat kiezen. De kleine dromer is de latere Darth Vader.

Temidden van deze stereotypen is nieuwkomer Jar-Jar Binks de meest dubieuze - en dat is heel wat in een vertelling waarin samenzweerders een Orientaals voorkomen hebben en een hebberige slavendrijver is opgescheept met een opvallend grote haviksneus.

Jar-Jar Binks - zwakke kracht, trage gestiek en caribisch accent - bracht in de Verenigde Staten een discussie op gang. Binks en zijn volk, de Gungans, zouden het racistische cliché van de domme negers verbeelden - een beschuldiging waarop Lucas in het vakblad The Cinematographer met woede reageerde.

Toch heeft Jar-Jar Binks - hij kan ook aardig dansen - de schijn tegen. De wijze waarop de gefrustreerde, jarenlang geminachte Gungans reageren als hun blanke tegenhangers een pact willen sluiten, speekt zelfs boekdelen: 'Bomvet! Joe niet langer denken joes groter dan da Gungans!', schreeuwt leider Baas Nass uit, om vervolgens zijn ja-woord te geven aan een verbond waarin afkomst en ras er niet toedoen.

Daarmee is The Phantom Menace niet afgedaan als een potpourri van platitudes, simpelweg omdat de film niet op het povere scenario steunt maar op de techniek. Die is groots. Wie besluit alle Star Wars-delen in een adem te zien, zal schrikken van het kwaliteitsverschil tussen de special effects van 22 jaar geleden en de hedendaagse perfectie.

Industrial Light & Magic (ILM), Lucas' bedrijf dat in Hollywood koploper is op het gebied van trucage, slaagt erin de scheiding tussen acteurs en digitaal opgebouwde wezens op te heffen; hoekig bewegende mondhoeken en een onecht ogende manier van voortbewegen behoren voor de virtuele karakters tot de verleden tijd.

Ook de planeten zien er fabelachtig uit, met steden boven op watervallen, of op de bodem van een meer. Een race tussen ruimtevaartuigen - met een knipoog naar Ben Hur - is niet zomaar een race; op de tribunes kijken hele horden gnomen, marsmannen en andere bewoners van het heelal toe, en allen zijn uitgerust met een eigen kop en een eigen wijze van communiceren.

Wie denkt dat techniek een middel is om een sterk verhaal te vertellen, komt bij The Phantom Menace bedrogen uit. Maar wie bereid is het verhaal te beschouwen als een sleutel tot een illusie, kan zijn hart ophalen. The Phantom Menace is fijn speelgoed voor iedereen die ze op zijn tijd graag ziet vliegen.

Daar kan zelfs Jar-Jar Binks niks aan veranderen.

Meer over