Stamvader van impressionisme in de fotografie

Hij gebruikte het laatste restje schemerlicht voor zijn stadsgezichten in New York en het schijnsel van de maan dat over de velden van Connecticut strijkt....

Van onze verslaggever

Arno Haijtema

ROTTERDAM

De 'grootste fotograaf ter wereld', 'vader van de fotografie', de best betaalde en beroemdste; alle denkbare superlatieven zijn Edward Steichen (1879-1973) in de loop van zijn lange leven wel ten deel gevallen. Hij was de wegbereider van de fotografie, toen die 'nieuwe kunst' eind vorige eeuw door de critici en schilderende collega's nog met grote argwaan werd bekeken.

Hij werd de chroniqueur van de Roaring Twenties en maakte klassiek geworden reportages in de Tweede Wereldoorlog. Beroemde dichters en schrijvers, filmsterren en beeldend kunstenaars paradeerden voor zijn lens. Steichen was al tijdens zijn leven een legende.

Op het overzicht van zijn werk dat de Rotterdamse Kunsthal heeft samengesteld, wordt eens te meer duidelijk hoe gevoelig Steichen was voor de sfeer die een beeld kon oproepen. 'Eigenlijk was ik een impressionist zonder het zelf te weten', schrijft hij in zijn autobiografie A Life in Photography.

Aanvankelijk was Steichen - geboren in Luxemburg en als peuter met zijn familie naar de Verenigde Staten geëmigreerd - geschoold als schilder. Maar in zijn jonge jaren groeide de fascinatie voor de fotografie, niet het minst door een tweejarig verblijf begin deze eeuw in Parijs. Uit die jaren stamt zijn beroemde portret van Auguste Rodin.

De beeldhouwer zit in zijn atelier, tegenover zijn Penseur. Steichen fotografeerde hem en profil, in diezelfde peinzende houding als het beeld tegenover hem. Op de achtergrond staart in een zee van licht een bebaarde man van wit steen neer op zijn schepper. Alsof het beeld zich ook verbaast over de ziel die Rodin hem met zijn beitel heeft geschonken.

Zoals zijn portret van Rodin in zijn compositie en lichtval doet denken aan de schilderijen van zeventiende eeuwse meesters, zo lijkt Steichens New York van rond de eeuwwisseling op het Parijs van de Franse impressionisten. Zijn belangstelling gold niet de imposante en strenge wolkenkrabbers van Manhattan of andere iconen van de Nieuwe Wereld. Steichen zocht, vol nostalgie, naar beelden waarin hij de voorbije eeuw kon vangen, of het kleine, alledaagse leven.

Op de straat langs het Flatironbuilding ratelen nog de wielen van rijtuigen, aangevoerd door koetsiers met hoge hoeden. De herfst is, getuige de kale boomtakken en het door de regen glinsterende wegdek, kalm neergedaald over de stad.

In een krakkemikkig appartement aan West 86th Street leest een man op een druilerige ochtend zijn Sunday Papers. Twee aandoenlijke flesjes melk wachten op een wrak en roestig balkon in een achterbuurt tot ze worden geledigd. Steichen registreerde het straatleven en de armoede in de grote stad terwijl zijn hart overstroomde van romantiek.

In zijn jonge jaren miste Steichen nog de evenwichtigheid die zijn grootmeesterschap zou gaan kenmerken. De foto's die hij maakte op de tribunes van de paardenraces in Parijs - opgesmukte dames in zomerse japons, parasolletje in de hand, zoekend naar een beschut plekje - zijn van een zeldzame tuttigheid. Zijn damesportretten uit het begin van de eeuw zijn niet zelden oppervlakkig, alsof hij te bedeesd was om ze dicht te naderen. Een vaas met fraai geschikte bloemen moest dan klaarblijkelijk het gebrek aan zeggingskracht van zulke portretten compenseren.

Gaandeweg lijkt Steichen zijn schroom te hebben verloren ten opzichte van degenen die voor hem poseerden. In de portretten die hij vanaf de jaren twintig voor onder meer Vanity Fair en Vogue ging maken, zat hij de filmsterren niet alleen letterlijk dichter op de huid, hij wist ook hun persoonlijkheid beter te treffen. Zijn foto's van Charlie Chaplin, Gloria Swanson, Mary Pickford, Fred Astaire en Greta Garbo zijn stuk voor stuk klassiek geworden. Niet alleen door Steichens ongeëvenaarde techniek, maar vooral - dat spreekt uit die foto's - omdat hij op voet van gelijkheid met hen verkeerde.

De grandeur die van zijn studiofoto's afstraalt, is ook terug te vinden in de reportages die hij maakte in de Tweede Wereldoorlog. Op de slagvelden zelf waagde hij zich niet, althans: daar getuigen zijn foto's niet van. Steichen concentreerde zich op de machinerie van de oorlogsvoering, en op de rol van de nietige mens in het grote geheel. Hij stelde scherp op de matrozen die de brullende gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers op de vliegdekschepen aanschouwden. Hij fotografeerde ze tijdens het lange en onzekere wachten dat begon als de machines waren opgestegen. Het zijn epische taferelen, waarin de matrozen acteurs worden en de oorlogsbodems decors van een opera.

In zijn hart bleef Steichen altijd een romanticus en een optimist. Hij fotografeerde de politici op hun paasbest, niet in hun uren van ontreddering. De acteurs kwamen voor zijn lens ruimschoots voordat de eerste rimpels hun fysieke aftakeling aankondigden. Zijn soldaten dragen smetteloze uniformen; met modder, vuil of bloed besmeurd zien we ze niet. En in achterbuurten zocht hij niet de verpaupering, maar de waardigheid waarmee de bewoners hun armoede ondergingen.

Zijn oeuvre is, net als de door hem samengestelde, succesvolste foto-expositie ooit, een hommage aan The Family of Man.

Edward Steichen, tot en met 30 november in de Kunsthal Rotterdam. Di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur.

Meer over