Stalinisme in de DDR

In het vroegere Oostblok geloofden de machthebbers heilig in de opbouwende kracht van het geschreven woord, maar het kon ook destructief zijn....

Wie in de DDR als schrijver in de gunst van de partij wilde komen of blijven, moest buigen voor de macht. Schrijvers moesten concessies doen, zich aanpassen, bepaalde zaken vergeten en verdringen. Dat dit kon leiden tot innerlijke conflicten die de geest aantastten en ziek maakten, is niet verbazingwekkend.

Over zo'n auteur heeft Stefan Heym geschreven in Collin, de roman die in 1979 verscheen bij Bertelsmann in München, want Heym had niet de illusie dat dit boek over het stalinisme in de DDR en over zuiveringen in de partijtop de censuur in Oost-Berlijn zou kunnen passeren. Heym, die in de DDR bleef wonen en tegen alle verdrukking in bleef geloven in zijn ideaal van een democratisch socialisme, wilde in Collin over een uiterst zwart stuk DDR-verleden vertellen en wist dat dit riskant was. Maar, schreef hij in zijn in 1988 verschenen memoires met de ironische titel Nachruf: 'Ik ben het zat om eeuwig rond de hete brij te lopen.'

Dit laatste hebben Heym en zijn romanpersonage Hans Collin gemeen. Want aan het slot van de roman voelt de zieke Collin zich bevrijd van zijn angsten en complexen en is hij bereid in zijn memoires de waarheid over zijn leven en daarmee over de DDR op te schrijven. Maar zijn boek kan hij niet voltooien, hij sterft aan een hartaanval.

Collins tijdelijke genezing is voor een belangrijk deel het werk van een vrouwelijke arts, die al snel tot de conclusie komt dat zijn hartklachten niet met zijn lichaam, maar met zijn geest te maken hebben. Zij gaat deels samen met Collin, deels met hulp van anderen zijn verleden onderzoeken. Dat verleden bevat een duistere plek. Collin heeft tijdens een politiek showproces tegen zijn vriend Havelka uit angst gezwegen, terwijl hij had moeten opstaan om de valse beschuldigingen tegen Havelka te weerleggen. Daarbij komt nog dat Havelka hem tijdens de Spaanse burgeroorlog een veilig baantje achter het front had bezorgd, opdat Collin later zou kunnen schrijven. Collin heeft gedurende de rest van zijn leven dit beschamende zwijgen, dit verraad, verdrongen.

In Collin toont Heym zijn kritische houding tegenover de DDR met zijn feodale partijhiërarchie, die aan het 'reële socialisme' de 'structuren van het verlichte absolutisme' gaf. En hij schrijft over de geest die heerst binnen de Stasi, de gevreesde staatsveiligheidsdienst van de DDR. Urack, het hoofd van de Stasi, ligt bij Collin in het ziekenhuis. Deze Urack gaat over lijken. Als het gaat om de 'dictatuur van het proletariaat' is alles geoorloofd. Tegen Collin zegt hij: 'Jij bent niet nodig. Nodig zijn wij, wij alleen, onthoud dat goed. Wij zijn onontbeerlijk, de hersens van de klasse, het schild van de klasse, beul van de klasse.'

De roman heeft een zeer reële achtergrond, want Heym vertelt in Collin in wezen het verhaal van Walter Janka, een overtuigde communist, die in Spanje tegen Franco streed, na 1945 uit Mexicaanse ballingschap naar Duitsland terugkeerde en in de DDR directeur van de uitgeverij Aufbau werd. Hij werd in 1956 ten tijde van de Hongaarse opstand door de prominente schrijfster Anna Seghers en de Oost-Duitse minister voor Cultuur Becher benaderd met het verzoek de in de DDR zeer bewonderde Hongaarse filosoof Georg Lukács in veiligheid te brengen, maar partijleider Walter Ulbricht gaf geen toestemming voor de reis naar Boedapest.

Een half jaar later werd Janka gearresteerd - hij had bepleit Chroesjtsjovs destalinisatie ook in de DDR uit te voeren, wat Ulbricht verwierp. Tijdens zijn proces werd hem onder meer verweten de 'contrarevolutionair' en 'verrader' Lukács naar Oost-Berlijn te hebben willen smokkelen. In de rechtszaal zaten Anna Seghers en andere schrijvers die de ware gang van zaken rond Lukács kenden, maar zij zwegen en dat deed ook minister Becher. Janka werd tot vijf jaar veroordeeld.

In Nachruf heeft Heym verteld hoe de autoriteiten in de DDR op Collin hebben gereageerd. De roman werd verboden. De schrijver kreeg geen toestemming voor een reis naar de West-Duitse stad Mainz en hij kreeg de douanerecherche over de vloer, die hem verweet de roman niet te hebben aangemeld bij het bureau voor auteursrechten en zo de Oost-Duitse wetgeving inzake deviezen te hebben overtreden.

Heym verdedigde zich door te stellen dat het Oost-Duitse bureau voor auteursrechten 'niets anders is als de verlengde arm van de censuur'. 'Ik onderwerp me niet aan censuur, en ik doe dat alleen daarom al niet, omdat er volgens de grondwet van de DDR geen censuur bestaat.' Het hielp hem niet, hij moest een boete van negenduizend mark betalen. Kort daarna werd de 'lex Heym' aangenomen; op het overtreden van de deviezenwet stond voortaan een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar. Maar de nieuwe paragraaf werd niet toegepast. Heym: 'Zo was er toch een klein steegje naar wat meer vrijheid ontstaan.'

Meer over