Horror / Sci-fi

Spider-Man

In Spider-Man mag de superheld zijn onschuld laten zien

David Sneek

Clark Kent, Bruce Banner en Bruce Wayne - eigenlijk deden ze er nooit echt veel toe. Ze waren slechts de mindere helft, de aanhangsels, van hun superieure andere persoonlijkheden - respectievelijk Superman, de Hulk en Batman - en in alle films en televisieseries bleven ze op de achtergrond. Hun enige duidelijke karaktertrek bestond uit de hardnekkige pogingen die andere identiteit verborgen te houden.

Daarin onderscheidt Spider-Man van Sam Raimi zich van andere comic-verfilmingen: de verlegen en onhandige student Peter Parker is belangrijker dan zijn alter ego dat onder invloed van spinnen-dna ontstaat.


Voordat de opnamen van Spider-Man begonnen werden moeizame onderhandelingen gevoerd over de hoofdrol. De studio, Columbia, wilde een mannelijkere, heldhaftigere hoofdrolspeler dan de door de regisseur voorgestelde Tobey Maguire. Raimi won, en de keuze van Maguire is een gelukkige; hij is de eerste acteur die laat zien hoe vervreemdend het is zomaar een superheld te worden.


Tijdens het schoolreisje van zijn eindexamenklas naar een natuurhistorisch museum wordt Peter gebeten door een rood-blauwe, genetisch gemanipuleerde spin.


Eerst levert dat ziekte, koorts en duizelingen op, dan, in ironische scènes, ontdekt de tiener zijn eigen nieuw ontwikkelde lichaam. Plotseling heeft hij geen bril meer nodig, is hij dertig keer zo sterk als vroeger, en kan hij wit, kleverig spul rondspuiten.


Even sterk zijn de metamorfoses van de tegenhanger van Spider-Man - de boosaardige Green Goblin.


Waar Maguire als Parker verbaasd geamuseerd in de spiegel zijn eigen spieren bekijkt, wordt Willem Dafoe als industrieel Norman Osborn vol afgrijzen geconfronteerd met zijn eigen onderdrukte gedachten. Komisch en bizar zijn de dialogen die Dafoe daarbij met zijn spiegelbeeld voert.


Het ijzeren masker van de Green Goblin, en zijn hardhandige afrekening met concurrerende wapenproducenten, behoren tot de weinige flarden die eraan herinneren dat Spider-Man een productie van honderdveertig miljoen dollar is.


Verder heeft Raimi, die zich eerder met The Quick and the Dead en de Evil Dead-serie toch als een camera en special effects-virtuoos had laten kennen, weinig spektakel nodig.


Wanneer Spider-Man aan lange draden langs wolkenkrabbers en door New Yorkse straten slingert en springt, zijn de relatief rustige camerabewegingen zelfs als kritiek op de geijkte Hollywood-films te interpreteren; voor het eerst in lange tijd wordt een actieheld niet door een hectische montage verknipt.


Spider-Man is hier vooral een fantastische ontsnapping van Parker, de wees die in het burgerlijke Queens bij zijn oom en tante woont. Hij is heimelijk verliefd op zijn buurmeisje Mary Jane Watson, gespeeld door een uitmuntende Kirsten Dunst.


Mary Jane werkt als serveerster en hoopt op een carrière als actrice. De gesprekken die zij met Maguire heeft over toekomstdromen zijn simpel en mooi.


Het superhelden-escapisme functioneert dan als niet meer dan een extra laag bovenop hun alledaagse verliefdheid. Het is een verrassing: de eerste blockbuster van deze zomer blijkt een lieve, onschuldige film.


Meer over