Solonely

Het 'ik-gehalte' in het Nederlandse cabaret neemt hand over hand toe. Zaaleigenaren zijn er blij mee, want er blijft genoeg publiek voor....

Er is veel te veel cabaret.'

Dit is geen moedeloze verzuchting van iemand die ook van mening is dat er te veel voetbal op tv is en te veel regen buiten. Hier is een man aan het woord uit het vak zelf.

Cabaretier/cartoonist Rick Dros wordt moe van de overdaad aan cabaret in het theater en op tv. Hij beseft dat hij met deze opvatting in zijn eigen vlees snijdt, maar die vorm van zelfkastijding hoort natuurlijk ook bij cabaret.

'Veel' is een relatief begrip, maar feit is dat de schouwburgprogrammeurs gek op cabaret zijn omdat de gemiddelde zaalbezetting daarmee omhoog gaat. Dat het cabaret waardevolle, maar minder populaire theatervormen uit de programmering wegdrukt, lijken de zaaleigenaren voor lief te nemen.

Ook op tv wordt cabaret flink uitgemolken. Niet alleen worden de uitgespeelde theaterprogramma's vertoond, maar we zien ook overzichten van de (lang niet altijd talentvolle) nieuwe lichting in de Cabaretdagen. In Wad is leuk? (vara) ontmoeten cabaretiers elkaar. We krijgen in Andermans Veren (avro) oppervlakkige analyses voorgeschoteld vanuit de luie stoel, gevolgd door fragmenten, en ten slotte worden veel (talk)shows opgeleukt door een cabaretnummertje.

Om het beeld van de lawine tot juiste proporties terug te brengen moet gezegd dat het begrip cabaret tegenwoordig aanzienlijk ruimer opgevat wordt dan Wim Ibo lief is. Hij sprak in zijn cabaretbijbel En nu de moraal... van literair-muzikale theateramusementskunst in een intieme omgeving voor een intelligent publiek. Nu vinden we onder die noemer naast volbloedcabaretiers als Paul van Vliet en Kees Torn de mime-humoristen Mini & Maxi, de muzikale clown Hans Liberg en het ironische toneel van De Ploeg.

Maar zelfs met strengere criteria blijft er nog steeds heel veel cabaret over. Een handige saneringsmaatregel zou zijn om een aantal solisten bij elkaar te voegen en er mooie duo's, trio's of nog grotere groepen van te maken. Lebbis en Jansen, Acda & De Munnik, Niet Uit Het Raam en Crème Fraîche bewijzen dat die vorm nog steeds uitstekend werkt. Sommige solisten zijn zelf al op zoek gegaan naar de meerwaarde van een partner: Harrie Jekkers gaat dit seizoen met zijn vaste schrijversmaatje Koos Meinderts op tournee, Jeroen van Merwijk doet het met Bavo Galama, en Job Schuring gaat met Rutger Laan aan de slag.

Toch blijven de solisten veruit in de meerderheid en hun aantal groeit nog steeds. Freek de Jonge en Youp van 't Hek zijn grote voorbeelden en vervolgens zetten navolgers als Hans Teeuwen en Theo Maassen weer de toon voor een nieuwe generatie. Daarnaast bestaat de invasie van stand up-comedians in het cabaret ook grotendeels uit eenlingen, zoals Eric van Sauers en Najib Amhali.

Wat beweegt een cabaretier om in zijn eentje op het podium te gaan staan, of juist niet? Wordt hij er artistiek beter van? Of financieel? Is de mens in het algemeen en de artiest in het bijzonder een onverbeterlijke egocentrist? Of wil gewoon niemand met hem samenwerken?

Een gesprek organiseren met een representatieve groep cabaretiers is onmogelijk, omdat zij het druk hebben met hun lange speellijst. Ze kruisen elkaar op de snelweg. Wel bleken enkele tientallen cabaretiers bereid om hun ideeën over dat aspect van het vak op papier te zetten. Zij bestrijken het hele veld, van talentvolle beginnelingen als Richard Groenendijk, via de cabaretiers die al een tijdje meedraaien zoals Kees Torn, Jeroen van Merwijk en Niet Uit Het Raam (Joep van Deudekom, Peter Heerschop, Viggo Waas), tot aan de doorgewinterde oude rotten als Youp van 't Hek, Paul van Vliet en Herman van Veen.

Het is misschien lastig om ze in één ruimte bij elkaar te krijgen, maar ze kunnen wel aan een denkbeeldige grote ronde tafel worden geplaatst. Er blijkt nogal wat consensus te bestaan. Daarom knikt een aantal deelnemers slechts instemmend en laat zich nauwelijks horen.

Marijke Boon opent de bijeenkomst met een poëtisch mini-betoog ten gunste van de eenling: 'Vraag de schilder waarom hij alleen de kwast ter hand neemt. Vraag de schrijver waarom hij in eenzaamheid de woorden opschrijft. Vraag aan de zangeres waarom zij in haar eentje geluid voortbrengt. Vraag aan de filosoof waarom hij de enige is die denkt.'

'Precies', zegt Hester Macrander. Zij vindt het al een hele prestatie dat ze iemand heeft gevonden die in het dagelijks leven een duo met haar wil vormen. Maar die zoektocht is voor haar een peulenschil in vergelijking met het vinden van een partner op het podium. Een poging om samen met een collega een programma te maken mislukte omdat Macrander merkte dat ze bij elk artistiek meningsverschil op slinkse wijze haar zin probeerde door te drijven.

Hans Liberg: 'Juist tijdens het creatieve proces is het zeer hinderlijk als iemand nét niet begrijpt wat ik in mijn hoofd heb.'

Bert Klunder: 'De korte lijn tussen idee en de uitvoering leidt bijna automatisch tot persoonlijkere voorstellingen.'

Hans Liberg: 'En je kunt in je slaapkamer repeteren.'

Richard Groenendijk: 'Als je naast mij op het podium staat, ben je niet blij. Ik wals makkelijk over iemand heen, en ik heb nu nog de neiging om te scoren.'

Hans Liberg: 'Het is een voordeel dat je niet zo afhankelijk bent van de constitutie, concentratie of ausdauer van anderen. Zangeressen willen nogal eens verkouden zijn of zwanger raken. Danseressen kunnen door hun enkel gaan, en cellisten hebben de gewoonte om verdubbeling van hun gage te vragen.'

Youp van 't Hek: 'Ik ben een echte solist, met vrijheid op alle gebied en daarom meer kracht. Ik zeg alles. Ook toen ik in een groep speelde, was ik behoorlijk solo.'

Marijke Boon: 'Als solist ben je veel flexibeler en kun je geloofwaardig spelen dat je een bizarre inval hebt waar je op voortborduurt.'

Mylène d'Anjou: 'En het applaus is helemaal voor jou.'

Reinder van der Naalt: 'Als solist maak je een programma op maat.'

Bert Visscher: 'Nummers die ik schrijf wil ik graag zelf ook spelen. Ik heb altijd in mijn hoofd hoe ze er uit moeten zien, hoe ze gespeeld moeten worden. Zelfs het toontje of het volume van een type of een lied zijn belangrijk.'

Kees Torn: 'De artiest wordt steeds meer vereenzelvigd met de auteur. Ik, ik zeg dit zelf... zonder tussenkomst van geschoolde kleinkunstacademiekutjes. Die vertroebelen alleen maar wat ik zeggen wil met hun aangeleerde maniertjes en stemmetjes en blikrichtingen en muzikale cabaret-invullingen.'

Jeroen van Merwijk: 'Zullen we trouwens het begrip cabaret enigszins versmallen? Een cabaretier die niet alles zelf schrijft, is helemaal geen cabaretier.'

Kees Torn: 'Juist. Laat Jenny of Lenny of Adèle of Simone of Lucretia zelf maar eens verzinnen wat ze uitschreeuwen.'

Eric van Sauers: 'De reden dat ik alleen op het podium sta heeft te maken met mijn helden Richard Pryor en Eddy Murphy. En met mijn voorgeschiedenis. Ik heb toneelschool gedaan, maar in het toneel miste ik de mogelijheid om het zelf te bepalen.'

Jaap Mulder: 'Ik ben gevormd in de tijd van de ensembles. Maar toen ik zelf begon met cabaret had ik een vol hoofd dat nodig leeg moest. Mensen naast je betekende time-sharing.'

Mylène d'Anjou: 'Wat heb ik veel audities gedaan voor producties waar ik eigenlijk helemaal niet in terecht wilde komen! En de rollen, of eigenlijk de hoofdrol, die ik wel had willen hebben, waren natuurlijk al vergeven. Ik moest van mezelf nog één allerlaatste poging wagen, voor ik er helemaal mee zou stoppen. In zo'n situatie begin je vanaf de bodem en dan is het logisch om dat solo te doen.'

Jeroen van Merwijk: 'Volgens mij worden de solisten meestal per ongeluk geboren. De kans dat je iemand tegenkomt die net zo'n gevoel voor humor heeft en dezelfde meningen over de wereld in al zijn schoonheid, en dan ook nog eens ongeveer hetzelfde talent als jij, is niet heel erg groot. En dan moet diegene maar net zin en tijd en geen werk hebben.'

Dolf Jansen: 'Da's waar. Lebbis en ik kennen elkaar van de atletiekvereniging. We liepen samen min of meer hard. Dan sta je al gauw samen op 'n tafel door elkaar te praten.'

Erik van Muiswinkel: 'Ik heb één soloprogramma gemaakt, De Mensenvriend. Ondanks de vrij goede kritieken werd het een moeilijke tournee. Ik miste het reliëf, het gezelschap, de muzikaliteit, het boksen en het sociale gedeelte van het optreden. Dat kende ik wel toen ik in Zak en As speelde. Ik kreeg dat weer terug toen ik een voorstelling met Margôt Ros maakte, en natuurlijk nu met Diederik van Vleuten. Margôt wilde niet verder in dit vak. Als ik met haar was doorgebroken dan was Diederik van Vleuten nu misschien late night-talkshowhost geweest, of was het trio Acda, Van Vleuten & De Munnik recentelijk doorgebroken. Dat soort dingen hangt vaak van het toeval af, zodat je er niet te veel achter moet zoeken.'

Frank van Pamelen: 'Ik ben lid van een groep geweest. Tekstgerichte ensembles hebben altijd een oubollig aureool gehad, en ik had geen behoefte om daarmee geassocieerd te worden.'

Kees Torn: 'Niemand lijkt zich eraan te storen dat er tijdens mijn voorstellingen geen acteurs te bewonderen zijn. Ik denk net als Frank dat het publiek ensembles als een achterhaalde vorm beschouwt. Spraakmakende groepen zoals Lurelei en Don Quishocking maakten ouderwets, maatschappijkritisch, geëngageerd cabaret. Dat heeft sowieso afgedaan. Purper maakt ook ouderwetse rotzooi. Ken jij jonge Purper-fans?'

Erik van Muiswinkel: 'Ik geloof het niet. Maar volgens mij valt het eigenlijk erg mee met die explosie van een lingen. Er is op dit moment ook sprake van de omgekeerde trend. Cabaretiers zoeken elkaar op, zowel op toneel als op de radio en televisie. Kijk maar naar De Ploeg, Spijkers, cabarestafettes, benefiet- en theaternachten, muzikale combinaties die hitsingles opleveren.'

Hester Macrander: 'Ja, en waar maakt de recensent zich eigenlijk druk om als hij denkt dat er te veel solisten zijn? Iemand die het solist-zijn niet in huis heeft, redt het uiteindelijk toch niet.'

Job Schuring: 'Ik heb tot nu toe nooit mensen ontmoet die mij hebben gevraagd.'

Missen de groepscabaretiers die vrijheid niet?

Thomas Acda: 'Absoluut niet! Paul de Munnik en ik zijn samen onwaarschijnlijk veel interessanter dan een van ons apart, en daar gaat het om.'

Hans Dorrestijn: 'Met iemand naast me voel ik me kip lekker. Vroeger met Levi Weemoedt, en nu met Frans Ehlhart. Als een zaal niet wil, veegt hij tersluiks zijn hand over zijn voorhoofd om aan te geven dat hij het ook moeilijk heeft.'

Viggo Waas: 'De dingen die wij met Niet Uit Het Raam willen zeggen komen beter tot hun recht in cross-talks en dialogen. Wij zijn teamspelers, maar ik geef toe dat de compromissen die je moet sluiten soms ten koste gaan van de vorm of inhoud.'

Peter Heerschop: 'Natuurlijk verlies je een deel van je identiteit, maar in de groep worden veel meer van mijn kwaliteiten benut door de voortdurende vraag naar tegenspel. Als ik per se een monoloog van een kwartier wil doen omdat ik vind dat ik iets essentieels laat liggen, dan is dat op z'n minst bespreekbaar. En we doen naast ons werk voor nuhr en de Ploeg een aantal dingen op eigen kracht.'

Dolf Jansen: 'Je inspireert elkaar, je geeft elkaar waar nodig een artistieke schop. Je beconcurreert elkaar. Wie is de leukste?'

Bert Visscher: 'Dat kan wel zijn, maar er gaat altijd een vuur in me branden aan het begin van de voorstelling. En die vlam, die concentratie, zou wegvallen als ik niet in mijn eentje de verantwoordelijheid had over het vasthouden van de aandacht van het publiek. Ik kon het in een groep niet laten om toch te schmieren of door de scènes heen te emmeren.'

Dolf Jansen: 'We zijn geen vastgeroest duo. We spelen ook alleen in het programma Lebbis Of Jansen en als stand upper. Dan geniet ik van de vrijheid en de improvisaties.'

Paul van Vliet: 'Het gevaar dat de solist bedreigt is de egocentrie. Ook bij het schrijven. Het is daarom heel gezond, vooral in het begin, te werken in een gezelschap. Zoals ik in Cabaret Pepijn. Daar draait het niet alleen om jou.'

Bram Vermeulen: 'Dat herken ik. Het is zalig dat niemand je tegenspreekt. Als solist raak je verslaafd aan je eigen ego. Na verloop van tijd ben je niet meer in staat om te communiceren, want de eigen werkelijkheid is de enige die over is.'

Rick Dros: 'Eén cabaretier of een verzameling, wat maakt het uit. Ik verveel me bij groepjes net zo vaak als bij solisten.'

Joep van Deudekom: 'Er zijn maar weinig solisten die mij langer dan twintig minuten kunnen boeien.'

Eric van Sauers: 'Ik weet echt niet of Teeuwen en Maassen als duo beter zouden zijn, of dat Lebbis alleen minder is dan Lebbis en Jansen.

Paul van Vliet: 'Het uur van de waarheid bij een goed soloprogramma komt na de pauze. Een uur vullen kan iedereen. Maar dan, daarna? De meeste solisten gaan na de pauze door waar ze waren gebleven. Dan krijg je meer van hetzelfde. Ik verwacht en wil na de pauze iets nieuws. Daarom bewaar ik bij mijn one man-shows een aantal dingen voor na de pauze. Bepaalde emoties, soorten muziek, links, aankleding. Ik probeer na de pauze de contra-stem tussen ernst en humor groter te maken. Dieper graven en harder lachen.

'Slechts de besten zijn in staat om zichzelf van voor de pauze te overtreffen. Daarom spelen sommigen nu korte programma's van 75 minuten, zonder pauze. Dat lijkt me heel verstandig.'

Zijn er nog meer voor problemen voor de solist?

Brigitte Kaandorp: 'Niemand kan het van je overnemen als je ongesteld bent.'

Harrie Jekkers: 'Minder lol.'

Richard Groenendijk: 'Het contrast van tweehonderd applaudisserende mensen en ik, alleen in mijn Peugeot Partner op de A2, is wel erg groot. Meestal wil ik rustig in de auto het gevoel van de voorstelling delen. Dat gaat dan dus niet. Voor een paar keer is dat "hij was maar een clown-idee" reuzeromantisch en hip, maar na de vijftiende voorstelling wordt dat wel erg naar. En dan moet je er nog zeventig.'

Reinder van der Naalt: 'Die kleedkamer gaat vervelen in je eentje.'

Rick Dros: 'Het biertje na afloop is leuker met meerdere alcoholisten.'

Joep van Deudekom: 'Ik moet er inderdaad niet aan denken, eenzaam in de kleedkamer van Lampegiet in Veenen daal bij een kopje koffie iets leuks te moeten schrijven voor het gastenboek. Of in mijn eentje de culturele kring van Kampen te woord staan.'

Bert Visscher: 'Als solist heb je geen gezeur aan je hoofd. En je hebt altijd voldoende koffie.'

Reinder van der Naalt: 'Met z'n tweeën kom je vaak verder met uitwerken van ideeën.'

Kees Torn: 'Artistiek werk ik strikt genomen niet eens alleen, omdat ik nooit weet wat ik met mijn teksten moet beginnen tot minstens twee regisseurs mij te hulp schieten.'

Bert Klunder: 'Heel goed. Zorg in de "maakfase" voor veel commentaar van anderen. Bij mij zijn dat Kees Prins en mijn vrouw Mylou Frencken.'

Hester Macrander: 'Ik krijg wel commentaar van een regisseur en een dramaturg en een grappen-expert. Maar je moet er wel voor zorgen dat het theaterproces niet te traag verloopt door dat gebakkelei, geklets, gerook en gedineer. Als het erop aan komt dan hoef ik alleen met mijzelf te bakkelijen. Dat is al erg genoeg.'

Kees Torn: 'Op het toneel zou ik het liefst iemand hebben om ruzie mee te maken, dansjes mee te doen, duetten mee te zingen, om mee van status en karakter te verschillen. Want ik geloof dat de mogelijkheden van een tweede speler onuitputtelijk zijn.'

Eric van Sauers: 'Tja, ik kan niet aan samenzang doen, maar dat wil ik ook niet. En ik kan geen sketch doen, maar die behoefte is er niet.'

Hester Macrander: 'Ik zou wel voor de vorm zijn waarin twee solisten hun programma in elkaar steken. Met behoud van eigenheid en eigen materiaal. Door af en toe wat samen te doen kun je een heel kleurrijke avond maken.'

Bert Klunder: 'Twee tegenpolen op een toneel kan leuk zijn, maar voordat je het weet ben je "de dikke en de dunne" of bestaat er een andere machtsverhouding.'

Kees Torn: 'Dat is misschien waar, maar er is onmiddellijk een zekere spanning bij twee uitvoerenden. Een solist moet die creëren door met zichzelf in de knoop te raken, zichzelf tegen te spreken, de zaal als tegenspeler gebruiken of een telefoon of desnoods iemand van de eerste rij op het toneel trekken. Hij moet die spanning forceren, anders wordt het te lineair en saai.'

Jeroen van Merwijk: 'Ik hou van saai cabaret. Mij doe je op een avond als toeschouwer het meeste plezier wanneer er geen of althans zo weinig mogelijk spektakel wordt gemaakt. Heen en weer rennende, schreeuwende, dansende en over de grond kronkelende cabaretiers die grote, gekleurde lappen uit de coulissen rukken en hun hele hebben en houden eruit gooien, daar ben ik niet zo dol op. Ik vind net als Ivo de Wijs dat een blinde niets aan cabaret moet missen.'

Herman van Veen: 'Welke vorm je ook kiest, er is altijd de druk. Het is vooral fysiek een zwaar vak.'

Youp van 't Hek: 'Het grote nadeel van een soloprogramma is dat je niemand hebt om op te schelden als het een avond minder gaat.'

Heeft geld nog een rol gespeeld bij de keuze tussen solist en groep?

Direct gaat er een golf van verontwaardiging door de groep cabaretiers. Hoe durft men het verband tussen cabaret en geld te leggen? Hans Liberg blijft echter nuchter: 'Geld is een zeer fatsoenlijke reden om iets te doen. Talent betekent trouwens geld in het oud-Grieks.'

Erik van Muiswinkel: 'Er is een groot verschil tussen nu en de oudere generatie. Vroeger onstond cabaret van binnenuit, omdat een groepje studentikoze geinponems-met-talent zin had om cabaret te maken. Zij begonnen dan in het eigen clubhuis, en als ze erg goed bleken kwamen ze vanzelf naar buiten. Dat is een wezenlijk andere bron van inspiratie dan de aansporing van buitenaf. Dat er in jouw talent, of het nou komisch, muzikaal of schrijvend is, brood zit. Cabaret is alomtegenwoordig en onbetwist de populairste theatervorm van het moment. Dan denk je al snel: laat ik het er maar eens op wagen in zo'n cabaretfestival.'

Peter Heerschop: 'Het lijkt alsof een solist meer verdient, maar ik zou zonder nuhr nooit in de grote zalen hebben gespeeld.'

Erik van Muiswinkel: 'Dat geldt ook voor mij. Als ik solist was gebleven, had ik mij mijn nieuwe huis nooit kunnen veroorloven, ben ik bang.'

Kees Torn: 'Had ik veel geld willen verdienen, dan was ik in de reclame of elders in het bedrijfsleven allang rijk geworden. Ik maak graag muziek en ik hoor graag mensen lachen, ik hou van light verse en proza. Alles wat ik wil, kan ik doen op het cabaretpodium en ik deed het al toen het niets opleverde maar juist inschrijfgelden kostte. Ik vermoed dat ik het nog steeds zou doen als ik er contributie voor moest betalen.'

Dat klinkt wel erg l'art pour l'art.

Kees Torn: 'Ik moet wel eerlijk zeggen dat ik hier intussen een beetje anders over ben gaan denken, sinds ik zo'n leuke vriendin heb, voor wie ik weleens een gezellig vrijstaand huisje zou willen kopen.

De nodige tonnen heb je eerder op je bankrekening staan als je de buit niet hoeft te delen met mederechthebbenden. Dus waarom niet wat grote zalen, televisieregistraties, cd's, boekjes en wat spul aan Karin Bloemen verkopen? Al dat geld voor mij alleen.'

Meer over