Sobere kunsthistoricus met lef

Kunst mag moeilijk zijn, vond Rudi Oxenaar. Maar het mooist aan zijn directeursschap: wekenlang met Richard Serra door het veld trekken....

Toen Rudi Oxenaar in 1990 afscheid nam als directeur van het Kröller-Müller-museum op de Hoge Veluwe, zei zijn collega Wim Beeren van het Stedelijk museum: ‘Rudi Oxenaar was geen circuskunstenaar, en zeker geen exhibitionist.’ Een naaste medewerker noemt hem nu, na zijn overlijden woensdag, ‘een integer kunsthistoricus, maar men was daarom vaak verbaasd over het lef dat hij had’.

In de eerste tijd van de bijna dertig jaar van zijn directeurschap – tussen 1963 en 1990 – bracht Oxenaar jonge kunstenaars in Nederland die nu tot de canon van de moderne kunst behoren, zoals landart-kunstenaar Richard Serra en Bruce Naumann.

Zelf zei hij dan wel vooral in de geest van Hélène Kröller-Müller te verzamelen – ‘volgens contract’ –, maar hij wist daarmee wel de link te leggen met de avantgarde van de jaren zestig en zeventig. Hoewel nadrukkelijk niet expressionistisch: op de Hoge Veluwe kwamen geen Karel Appels binnen, wel Jan Schoonhovens en Donald Judds. Hoewel hij wel weer pontificaal een popart-werk van Claes Oldenburg bij de ingang plaatste. Wat destijds nog controverse opriep.

‘Kunst is er voor iedereen, maar dat betekent niet dat we mensen naar de mond willen praten’, verklaarde hij zijn aanpak in een interview. Kunst mag moeilijk zijn; wie zijn best doet, krijgt de beloning. Cultuurpolitieke verhalen over maatschappelijke relevantie of publieksstrategieën zeiden hem niets, en thematentoonstellingen leidden volgens hem af van waar het om gaat: kunst als contemplatie, de gang naar het museum als pelgrimage. ‘Moderne kunst is een avontuur waarvoor je moet openstaan.’

Op het moment dat een kunsthistoricus nog werd geacht zich met het respectabele verleden bezig te houden, promoveerde Oxenaar op De Stijl-lid Bart van der Leck en reisde langs nieuwe kunstenaars in de Verenigde Staten.

Samenspel met de kunstenaar beschouwde hij als mooiste van het directeurschap: wekenlang met Richard Serra door het veld trekken op zoek naar een geschikte plek voor een kunstwerk.

De beeldentuin, begonnen onder zijn voorganger Hammacher, breidde hij dan ook flink uit met destijds spraakmakende beelden. Oxenaar is verantwoordelijk voor aankopen als het neonsculptuur Window or Wall Sign van Bruce Naumann, Jardin d’émail van Jean Dubuffet en Spin Out (for Robert Smitson) van Serra. De museumcollectie ‘binnen’ werd verrijkt met Nederlandse abstracten, Amerikaanse conceptuelen en Arte Povera. Hij organiseerde tentoonstellingen als Americana (1975), Pier and Ocean (1980), en De Stijl (1982).

Oxenaars belangstelling voor architectuur leidde ertoe dat hij met Wim Quist de nieuwe museumvleugel in de jaren zeventig realiseerde. Het museum kreeg daardoor wereldwijde belangstelling. De bezoekersaantallen zijn altijd ruim geweest.

De verzameling van het Kröller-Möller vindt zijn oorsprong in 1905. Hélène Kröller-Müller droeg haar collectie later over aan de Nederlandse Staat en werd directeur tot haar dood in 1939. Sam van Deventer en Willy Auping volgden haar op, tot in 1947 Bram Hammacher directeur werd, tot 1963. Evert van Straaten volgde Oxenaar in 1990 op.

Sinds die tijd bleef Oxenaar actief in adviescommissies voor binnen- en buitenlandse musea.

Meer over