Snob, hielenlikker, Haarlemmer

ACH HAARLEM. Stad met een echte poort, een beroemde kerk, een eigen krant, een eigen bisschop, en per hoofd het grootste aantal stoplichten, cricketclubs en hertenkampen van Nederland....

Aleid Truijens

'De stad is met al haar pretenties een gat, waar iemands reputatie, ten goede of ten kwade, al snel doorheen lazert', schrijft Louis Ferron in zijn autobiografische novelle Hier ligt Boot. Het is het zesde deel van de Muggenreeks, een serie over Haarlem waaraan ook Geerten Meijsing onlangs een mooie bijdrage leverde (Kerstnacht in de kathedraal).

Ferron is een geboren en getogen 'mug'. Geboren per ongeluk, omdat hij in het hart van de oorlog werd verwekt bij een jong Haarlems meisje, door een getrouwde Duitser - geen nazi-beul, maar een camouflageschilder. Hij groeide op 'in de scherpe geur van VIM', in de beklemmende straatjes van Haarlem-Noord. Opgezadeld met de potsierlijke naam Aloysius; besmuikt nagewezen als 'die zoon van een Duitser'.

Hij hing op straat rond als zijn moeder werkte als serveerster, terwijl Haarlemse zonen die Henri of Frédéric heetten, Latijnse woordjes leerden of schitterden op het sportveld. Van het klein-seminarie werd hij afgetrapt, nadat hij met De Lach was betrapt, dus werd het mulo.

En toen hij na al die vernedering het woeste besluit had genomen kunstschilder te worden, bleef hij plakken in 'het kleine leed dat Haarlem heet'. Voor hij het wist, hoorde hij bij de artistiekelingen. Met andere leden van het provinciale gilde hing hij gepast de beest uit. 'Nu ja, beest. Een klein beestje, maar voor de Haarlemse verhoudingen al heel wat. Je hoefde het Horst-Wessellied maar aan te heffen of heel de stad stond op haar achterste poten.'

In een gemeenschap 'waar het monotone gezoem van de middenstand de toon aangaf', was het niet moeilijk de burger te epateren. Maar Haarlem leverde precies genoeg overzichtelijke ergernis om de schaamte van zijn jeugd te wreken.

Haarlem, de oorlog, zijn duistere afkomst, de Duitsers, het liederlijke kunstenaarsvolkje en de muffe middenstand - dat werden de grondtonen in het oeuvre van Louis Ferron die bij nader inzien toch maar schrijver werd. In Hier ligt Boot - waarin niet de scheldende, mislukte poëet uit De walsenkoning en Viva suburbia de verteller is, maar de echte - vertelt hij waarom.

Ooit hoorde hij de Poolse nonnen van het weeshuis waar hij was ondergebracht, hun hymnen zingen. Het ijle gezang van de witgesluierde boerenvrouwen riep bij hem een visioen op 'waarin het manna geluidloos uit de hemel sneeuwde'. Sindsdien heeft hij een 'verscheurende honger naar. . . tja, naar wat eigenlijk?' De romanticus die toen geboren werd, ontdekte later dat hij zijn honger niet kon stillen door verf op een doek te kwakken. 'Ik was tenslotte geen Lucebert of Karel Appel.' Woorden moesten het zijn: 'Omdat het juist de taal is die, in haar dubbelzinnigheid, in ieder geval de suggestie wekt de verstaanbare vragen te kunnen stellen.'

Het was iemand uit de net-niet stad Haarlem, de net-niet schilder Henri Frédéric Boot, die hem de weg wees. De weg die hij in geen geval moest inslaan, wilde hij niet net zo'n schertsfiguur worden.

Ferron, een heupflaconnetje drank bij de hand, zet zich aan het begin van de novelle aan zijn graf, om langdurig in zijn dovemansoren te tetteren. In de duinen van Westerveld ligt Boot, en hij is al een tijdje dood. Ferrons verslag van zijn jeugd, en van zijn kunstenaarschap, is één lange monoloog tot zijn vroegere leermeester, een schilder wiens 'doodgecomponeerde stilleventjes' in de krochten van het Frans Halsmuseum belandden.

Het jonge schildertje, autodidact, zag in hem 'de mysterie omweven Einzelgänger' en werd geïmponeerd door zijn grote kennis van de klassieken. Maar al snel merkte hij dat hij niet meer dan een dorre schoolmeester was, die zich omringde met talentlozen om zelf nog wat te lijken, een bekakte dandy die opzichtig in artistieke armoede leefde.

En de brave Haarlemmers vonden het prachtig. Ze vergaten collectief dat hij fout was in de oorlog, een verheerlijker van de Duitse degelijkheid en een gewaardeerd lid van de Kultuurkamer. Ze noemden hem 'legendarisch' omdat hij de leermeester van de nog legendarischer Kees Verwey en Anton Heijboer was geweest. In deze Boot vond Ferron zijn ideale personage: snob, hielenlikker, verrader en Haarlemmer. Een doelwit om een oeuvre lang te verachten, een dwaallicht dat feilloos de gifgronden aangaf waar hij als kunstenaar niets te zoeken had.

De beperkte vorm van Hier ligt Boot verveelt geen moment. De lange tirade tegen de man die onder zijn 'arduinen dekbed' toch niks terug kan zeggen, geeft de man op zijn krukje, langzaam dronken wordend, de gelegenheid zijn jeugdwonden open te rijten, schaamteloos te schreeuwen, of zichzelf te corrigeren. 'Hier blijkt mijn veelvuldig gehanteerde truc weer', beseft hij, als hij pronkzuchtig uitweidt over Nietzsche. 'Zodra ik tot de kern wil doordringen begin ik om zaken heen te draaien, wint de ciseleur het van de hakker, de literator van de schrijver.'

Soms wordt het zwijgen van de dode hem te machtig: 'Hé ouwe lul, roer eindelijk die morose knoken van je. Slijt die zerk. Sta op en geef me desnoods een schop onder mijn kont. Ik heb die door jou zo aanbeden schilderkunst verraden.'

Maar op den duur wint de schrijver het van de schreeuwer en de barokke woordbraker. In dit dubbelportret stuit hij af en toe hard op de kern, juist omdat hij zich kan spiegelen aan zijn negatief, de schilder die hem vormde met zijn poging tot misvorming. Boot leerde hem onbedoeld dat het geen zin heeft 'je hele leven te verdoen met de architectuur van het platte vlak, om van de operette die literatuur heet nog maar te zwijgen'. Verachting van de kunst kan kunst baren.

En in één moeite door voegt Ferron aan zijn monoloog nog een 'grafrede' toe voor zichzelf, 'voor de schilder die ik nooit geworden ben'. De stemming zit er toch al aardig in; de drank is in de man. Het is een testament voor zijn lezers, die hij nog eens inhamert dat hij in de kunst geen 'ogentroost' zocht, maar 'het sublieme', en 'in het verlengde daarvan het Unheimliche, de roes van het anarchistisch beest dat in de zielen van ons allen aan zijn ketens rukt'. Dat hij de slechte smaak heeft gecultiveerd 'om mijzelf een kijkje te gunnen in het gruwelkabinet van mijn persoonlijke obsessies'. Dat is nogal wat, en die ronkende toevoeging had de meesterlijke monoloog tot Boot ook helemaal niet nodig.

Hier ligt Boot is een fraai nieuw deel in een gelegenheidsserie, die voor Ferron precies de goede gelegenheid bleek.

Meer over