Slijpen aan een rariteit

Wanneer de miscroscoop precies is uitgevonden en door wie, valt niet met zekerheid te zeggen. De chroniqueur Willem Boreel vertelt in 1655 dat het zijn jeugdvriend Sacharias Janssen was, uit Middelburg....

MICHAEL ZEEMAN

Sacharias Janssen en zijn vader: het zijn dezelfde Middelburgse lenzenslijpers die lange tijd hebben gegolden als uitvinders van de verrekijker. Maar de Middelburgse brillenmaker die in september 1608 aan Prins Maurits een telescoop demonstreert, wordt helaas nergens met name genoemd. En dus is het allemaal speculatie: waren het de Janssens, was het 1619 en was het een microscoop?

Vast staat dat de eerste beschrijving van een samengestelde microscoop, zo eentje met een buis en twee convexe lenzen, van de in Londen woonachtige Nederlandse uitvinder Cornelis Drebbel is, en dat Drebbel er al in 1622 in Frankrijk een heeft gedemonstreerd. Maar kwade tongen van tijdgenoten beweren dat hij die microscoop juist van de Janssens had overgenomen. Alles wat je er met zekerheid van kan zeggen, is dat de microscoop in het eerste kwart van de zeventiende eeuw niet lang na de telescoop is uitgevonden, en dat het instrument in het tweede kwart van die eeuw door Nederlandse lenzenslijpers snel en sterk is verbeterd.

Dat betreft vooral technische verbeteringen, die hun oorsprong vinden in de manier waarop de lenzen werden vervaardigd. En dat werpt de intrigerende vraag op naar de vroege ontwikkeling van de microscoop: waarom zijn het vooral de ambachtelijke technici die zich er aanvankelijk mee bezighouden, en waarom duurt het tot de tweede helft van de eeuw voordat wetenschappers met hun op natuurlijke objecten gerichte onderzoek het instrument ter hand nemen en vervolmaken?

Onder het verhaal van de microscoop, dat de Amerikaanse wetenschapshistoricus Edward G. Ruestow vertelt in zijn The Microscope in the Dutch Republic, zit, met andere woorden, het oude dilemma uit het wetenschapshistorische debat: zijn het internalistische motieven die de ontwikkeling van de wetenschap richting geven, of externalistische. Beide, natuurlijk, maar in welke verhouding en in welke mate, daar gaat het om. De microscoop is een instrument om iets mee aan de weet te komen; op zichzelf is het hooguit voor latere verzamelaars een mooi object.

Het zijn niet de wetenschappers die in die eerste halve eeuw van zijn bestaan de microscoop gebruiken en met het oog op hun onderzoek verbeteren. Het duurt tot de tijd van Swammerdam en Leeuwenhoek, de late zeventiende eeuw, voordat er een 'onderzoeksprogramma' voor de microscoop tot stand komt - voordat, anders gezegd, de microscoop van een gadget verandert in een wetenschappelijk instrument.

Ruestow heeft zich op die verandering geconcentreerd, en geprobeerd de motieven te achterhalen die aanvankelijk de lenzenslijpers bezielden, en even later de onderzoekers. The Shaping of a Discovery is niet voor niets de ondertitel van zijn boek; een ontdekking op zichzelf is niets, hooguit een curiosum, het gaat om de toepassingen die je ervoor kiest, om de kwaliteit van de vragen die je ermee wilt beantwoorden.

Sacharias Janssen en Cornelis Drebbel en hun nijver slijpende collega's stelden niet zoveel vragen; zij waren veel te opgetogen over wat ze hadden uitgevonden en over hetgeen ze daarmee zichtbaar konden maken om nog aan enig systematisch onderzoek toe te komen. Zij hadden tussen hun vingers een nieuwe kosmos ontdekt, even onbeperkt als de kosmos boven hen, die door de uitvinding van de telescoop ook al oneindig groot was geworden. In hun reactie klinkt vooral verbazing - en goed calvinistische bewondering voor de Maker van al dat kleins.

De periode en de omgeving is een gebied waarop Ruestow goed thuis is: ruim twintig jaar geleden bracht hij zijn kennis van de natuurkunde in de Republiek bijeen in zijn Physics at 17th and 18th-Century Leiden. Van de auteurs die hij in dat boek besprak, komen we er ook in zijn nieuwe publicatie weer een aantal tegen. Maar het verrassende aan The Microscope in the Dutch Republic is dat hij zijn vraagstelling heeft uitgebreid.

Het gaat hem erom vast te stellen welke factoren de ontwikkeling van de microscoop beïnvloedden, welke de doorslag gaven voor toepassing in het onderzoek en welke omstandigheden remmend hebben gewerkt.

Voor een deel is dat een technische geschiedenis. Om zeer aanzienlijke vergrotingsfactoren zonder al te veel hinderlijke neveneffecten en vertekeningen te bewerkstelligen, was het nodig kleine, je mag wel zeggen: minuscule lenzen te maken. Maar voor het slijpen van kleine lenzen is een verfijnde techniek nodig, zowel bij de glazenmaker als bij de lenzenslijper. Het zeventiende-eeuwse glas was zo weinig homogeen van substantie, dat luchtbelletjes en vuiltjes in het materiaal bij interessante vergrotingsfactoren het beeld geducht verstoorden. Van het slijpen bleven bovendien zoveel sporen op het lensoppervlak achter, dat het zoeken werd naar wat nu werkelijk tot het object van onderzoek behoorde, en wat bijzaak was.

Pas toen glasblazers zich ermee gingen bemoeien en van een verhitte glasdraad pareltjes braken om die als lens te gebruiken, werd het resultaat beter. Maar ook kleiner: lensjes met een doorsnee en een brandpuntsafstand van hooguit enkele millimeters, en dientengevolge met een minuscuul blikveld, waren het onbevredigende resultaat. De samengestelde microscoop legde het aanvankelijk af tegen de enkele (met de helft minder vertekening), die in feite niet veel meer is dan een extreem vergrootglas voor uiterst lokale waarneming van onderdelen van kleine objecten.

Ruestow noemt de schilderkunst en de ontwikkeling van de medische wetenschap als de twee grote factoren die de zinvolle ontwikkeling van de microscoop hebben bepaald. In het voetspoor van van de middeleeuwse miniatuurschilders waren het de Hollandse fijnschilders van de zeventiende eeuw die steeds meer belangstelling begonnen te krijgen voor de precieze bouw van insecten. De aanwezigheid van motten, vlinders, bijen en rupsen op hun schilderijen hoort thuis in een moralistische traditie: ziet hoe kort het leven is, maar bedenkt daarbij dan ook hoeveel aandacht de Schepper aan derzulken besteedde.

Het zijn die schilders die breken met de instructies van de antieke natuurhistorische auteurs, Aristoteles en Plinius. Zij gaan kijken hoe een bij er echt uitziet, van buiten en, even later, ook van binnen. Ruestow plaatst door daarop te wijzen de geschiedenis van de microscoop in het zeventiende-eeuwse debat over de anciens et modernes, in de strijd tussen de tekstgetrouwe Aristotelianen en de praktisch geïnspireerde Ramisten.

De doorslaggevende vragen in dat debat komen van de medici. Ook zij hebben hun boeken aan de kant geschoven en zijn gaan onderzoeken. Als Robert Hooke de bloedsomloop ontdekt, en met de microscoop de aanwezigheid van haarvaten kan worden aangetoond, als duidelijk wordt dat er naast bloed ook nog een ander vocht door het lichaam stroom, lymfevocht dat in minuscule holtes zijn oorsprong lijkt te vinden, dan wordt het tijd de microscoop aan te passen aan de vragen die beantwoord moeten worden. Uitzinnige vergrotingsfactoren, die alle met de glaspareltjes van de glasblazers konden worden bereikt, zijn dan van minder importantie dan het vergrote blikveld van de samengestelde microscoop.

Swammerdam en Leeuwenhoek zijn de figuren in wie de zeventiende-eeuwse mentaliteit, cultuur en ambachtelijkheid, en moderne onderzoeksambities samenkomen - en bij wie een rariteit een instrument wordt. Ruestow laat in zijn fascinerende cultuurgeschiedenis van de microscoop zien hoezeer zij het product waren van hun tijd.

Michaël Zeeman

Edward G. Ruestow: The Microscope in the Dutch Republic, The Shaping of a Discovery

Cambridge University Press; ¿ 122,20

ISBN 0 521 47078 1

Meer over