Boekrecensie

Slechts zelden draagt Herman Brusselmans argumenten aan om te laten zien waarom de boeken van de nieuwste generatie auteurs niet deugen ★★★☆☆

De ‘Heraut van het Woord’ neemt collega’s grof, satirisch en seksistisch de maat, maar spaart ook zichzelf niet.

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

Elk van de zeshonderd bladzijden van Geschiedenis van de moderne literatuur van Herman Brusselmans is erop gericht om te ontregelen, verwarren en op het verkeerde been te zetten. Daarin verschilt Brusselmans’ vuistdikke nieuwe boek overigens niet van zijn 83 vorige boeken. Veel zelfverklaarde meesterwerken zijn óók parodieën op een genre: Vergeef me de liefde op de liefdesroman, de Zeik-romans op de detective, Autobiografie van een ander op… enfin, u begrijpt het.

Al twee keer eerder gebruikte hij het genre van de literatuurgeschiedenis om er het zijne mee te doen. In 1988 publiceerde Herman F.M. Brusselmans bij Uitgeverij Dedalus De Geschiedenis van de Vlaamse Letterkunde. De jonge ‘filoloog en scribent’ bleek er vooral op uit om zijn eigen plaats in de geschiedenis – van 12 mei 1136 tot 17 oktober 1984 – veilig te stellen. ‘Passim’ staat achter zijn naam in het register, waarin ook auteurs voorkomen die in het boek vergeefs gezocht moeten worden, alsmede imaginaire titels als De nacht dat tante Miete in haar rokken scheet.

In Geschiedenis van de Wereldliteratuur, dat een jaar later verscheen, maakte de Mooie Jonge Oppergod der Vlaamse Letteren ruimte voor zichzelf door het literaire leven en zijn contemporaine collega’s te bespotten in 64 ‘vertogen’ die beurtelings bewondering en weerzin wekten.

Op de eerste bladzijde van zijn nieuwste literatuurgeschiedenis – we zijn nu dus meer dan dertig jaar en tachtig titels verder – kondigt Brusselmans aan dat hij de periode tussen 2008 en nu zal behandelen, ‘af en toe een zijweg inslaand, een flashback of flashforward simulerend, of gewoon opschrijven waar ik zin in heb, al is het volslagen nonsens. Ik ben immers een complete gek.’

Zo kiest hij het oude pad, al reflecterend op de van de literatuurwetenschap bekende bloedeloze wijze: ‘Ik verdeel deze studie in hoofdstukken. Zonder hoofdstukken schiet je geen reet op.’ De reflectie bereikt een absurd hoogtepunt als Brusselmans meldt dat Christophe Vekeman het niet gewend is om veel aandacht te krijgen, en dat hij daarom een tijdje over zijn collega zal zwijgen. Dan volgt een witregel. ‘(Tweeënhalf uur later.)’ Weer een witregel. ‘Het is nu weder een tijdje geleden dat ik Christophe Vekeman in het zonnetje plaatste….’

Moeten we deze ‘complete gek’ serieus nemen? Dat is de vraag.

Brusselmans legt in elk geval een indrukwekkende belezenheid aan de dag. Hij leest net zo snel als hij schrijft. ‘Ik kan me voorstellen dat er wordt geredeneerd: zo’n studie van de Vlaamse en Nederlandse literatuur schrijven is een fluitje van een cent, dat kan uitgevoerd worden door een aap op rolschaatsen. Dat is niet zo.’ Er komt geregeld iemand voorbij die tegen Brusselmans zegt dat het genre niet verkoopt en niet boeit. ‘Dat klopt, maar iemand moet het doen. Ik ben een Geroepene, een Heraut van het Woord, een Doorgronder van de Hele Zooi.’

De huidige staat van de literatuur stemt hem oprecht weemoedig. ‘Waar was de tijd dat grote namen uit de Vlaamse en Nederlandse letterkunde een zaal tot in de nok wisten te vullen? Voorbij zijn deze tijden, zonder wederkeer.’ Hij richt een monument op voor De Grote Tien (Reve, Hermans, Mulisch, Claus, Wolkers, Van den Broeck, Van der Heijden, Heeresma, Campert en Doeschka Meijsing, ‘negen mannen en één vrouw, een prima verdeling tussen de geslachten’). Het is een nogal wankel monument, want Brusselmans begint bij de feiten, maar fabuleert, zevert en ouwehoert er vervolgens op los.

Hij moet erkennen dat een aantal schrijvers een rolletje speelt in het huidige tijdsgewricht – hij wijdt een al even wankel hoofdstuk aan Peter Terrin, Ivo Victoria en Christophe Vekeman – maar komt tot de conclusie dat de literatuur op haar sterfbed ligt. ‘Er zijn geen beroering, geen engagement, geen bliksemflitsen, en de jonge schrijvers hebben te weinig adem, en de oude schrijvers zijn amechtig als een mier met een bromvlieg in haar luchtpijp.’

Slechts zelden draagt Brusselmans argumenten aan om te laten zien waarom de boeken van de nieuwste generatie auteurs niet deugen. Meestal gaat hij aan inhoud en stijl van hun werk voorbij, en valt schrijvers aan op hun uiterlijk, sekse of achtergrond. Zo neemt hij en passant de heersende politiek-correcte cultuur van inclusiviteit en #MeToo op de schop. ‘Ik vertel alvast geen geheim dat schrijvers beter en meer kunnen schrijven dan schrijfsters. Schrijfsters zijn op hun beurt erotisch aantrekkelijker dan schrijvers, en zo is er altijd wat.’

Het spreekt vanzelf dat Brusselmans te ver gaat. Satire zonder slachtoffers, zonder schok bij de lezer, is geen satire. Dus gaat het over Turken die bang zijn voor mannen, omdat die hen te veel aan hun moeder doen denken. Over een neger die bang is voor een kwartjood te worden aangezien. Over de te kleine tieten van Roxane van Iperen en te grote buitenste schaamflappen van Ellen Deckwitz. ‘Een vraag die velen zich zullen afvragen is de vraag: heeft Griet op de Beeck nog steeds knotsknieën? Ja, allicht wel, die raak je niet zomaar kwijt.’

Mag je hierom lachen? Tot schande van het leeuwendeel van mijn geleerde & geletterde vrienden heb ik dat geregeld gedaan. Toch verging deze lezer uiteindelijk het lachen. Net als de hoofdpersoon van Geschiedenis van de moderne literatuur, de inmiddels bijna pensioengerechte filoloog en scribent Herman Brusselmans, de ex-Jonge God, kreeg ik het steeds benauwder.

‘Ja, al die boeken dreigen op me af te komen, een hele lawine, een orkaan van papier, een tornado van stilistische woorden en zinnen, een straaljagergebrul van onbenulligheid. Het spijt me, jongens en meisjes, hier valt mijn masker af: jullie kunnen helemaal niet schrijven. Sukkels voor een toetsenbordje zijn jullie, ego’s die door het lamplicht gevat willen worden, idioten die de hele dag struikelen op weg naar de nooit bereikte genialiteit.’

En dan komt het: ‘Zelf stel ik ook geen reet voor. Zie mij bezig.’

Brusselmans spaart zichzelf niet. Hij walgt van de literatuur, en op zijn donkerste momenten van zichzelf. Hij is in de ijskoude greep van de angst, verblindende duisternis dreigt. Geschiedenis van de moderne literatuur is een noodkreet – en dat verklaart zijn toon. In de parodie blijft hij steken.

Waar moet het heen? Het enige dat hem rest is schrijven. Het is tijd voor het boek dat alle andere boeken overbodig moet maken: Theet 77, de autobiografie van zijn jeugd. Daarin moet hij het masker werkelijk afleggen, zijn stijl genadeloos inzetten in een echt verhaal. Een complete gek, schrijft Brusselmans, trekt zich er niets van aan dat men hem gek vindt, en zet z’n tocht verder. We zullen hem volgen op zijn tocht.

null Beeld

Herman Brusselmans: Geschiedenis van de moderne literatuur. Prometheus; 608 pagina’s; € 27,50.

Meer over