SJAALMAN

De directeur van het Letterkundig Museum, Anton Korteweg, loopt liever hard in de polder dan dat hij de poëzie van Gerrit Kouwenaar leest, stond in de krant....

Hollantsche Parnas

De namen van Jacob Cats en Joost van den Vondel worden, vergezeld van exempelen hunner dichtkunst (Cats: 'Op 't gesichte van een kindt, in sijns moeders schoot slapende') genoemd in Hollantsche Parnas - Nederlandse gedichten uit de zeventiende eeuw (¿ 25,-). Het is een inleiding tot die poëzie van Ton van Strien in de Alfa-reeks van de Amsterdam University Press, de uitgeverij van de Universiteit van Amsterdam, om het in gewoon Nederlands te zeggen.

Aan de hand van - voor oudere lezers of de lezers van Komrij's bloemlezingen - soms tamelijk bekende verzen maakt Van Strien duidelijk hoe snel de poëzie in de jonge Nederlandse republiek - die in betrekkelijk korte tijd steenrijk geworden was - volwassen werd. Eerst door de poëtische lingua franca, het Latijn, te laten voor wat zij was en de eigen taal, het Nederlands, te verkiezen; vervolgens door zich op te trekken aan de klassieke voorbeelden en zich de dichtkunst als een ambacht eigen te maken.

Waren in het begin van de eeuw de dichters nog anoniem, zélfs de grote Hooft, vijftig jaar later al bleek hoe zelfbewust onze poëten geworden waren, hun naam groot op het omslag én onafhankelijk: 'De dichtkunst bindt zich niet aan Roomen of Atheenen', schreef Jan Vos bij een portret van Joost van den Vondel.

Een bloemlezing van de nieuwe Nederlandse lyriek uit 1660, Hollantsche Parnas, of verscheyde gedichten, illustreert die snel verworven trots. Het leek Van Strien een goed idee die titel (met wat deze tot uitdrukking brengt) te kiezen voor zijn inleiding. In dit boek wordt, onderverdeeld naar thema's, het streven van onze vaderlandse dichters om door oefening de klassieke voorbeelden naar de kroon te steken, benadrukt.

Wie lang geen verzen van Hooft, Huygens, Vondel, Focquenbroch (de 'anti-petrarkist') en anderen meer gelezen heeft - omdat er te veel tijd aan sportbeoefening werd verdaan -, zal niet alleen getroffen worden door de kracht en de helderheid waarmee bepaalde gelegenheden (geboorte en dood, bruiloften en politiek gebeurtenissen) poëtisch werden opgetuigd; hij zal ook ervaren hoe groot de verschillen waren, tussen bijvoorbeeld Cats en Vondel, uiteraard door het stilistisch vermogen van de betrokkenen.

Wat dat betreft is er na eeuwen niets veranderd. En wat nog het minst veranderd is, is het feit dat de 'groten' onder de zeventiende-eeuwse dichters je een brok in de keel kunnen bezorgen alsof er geen enkele afstand in de tijd bestaat. Het verschil is misschien alleen dat Vondel geen enkele neiging had om hard te gaan lopen in de polder.

Willem Kuipers

'Zelf bedienen is geld verdienen'

Thuisbezorgen - tot in de jaren dertig ook met de hondenkar - was voor de omzet van de kleine kruidenier van vitaal belang. Loopjongens, die de bestelboekjes ophaalden en daarna de waren afleverden, kostten maar een schijntje. Het 'hoor- en bezorgsysteem' had voor de klant nog een extra aantrekkelijke kant: hij liet de boodschappen 'opschrijven', kocht op krediet.

Oprichters van latere grootwinkelbedrijven als de DekaMarkt en Dirk van den Broek begonnen zo, als besteljongen, memoreren Gerard Rutte en Josee Koning in De supermarkt - 50 jaar geschiedenis (de Prom; ¿ 29,90), een gedetailleerde en onderhoudende geschiedschrijving van de opkomst van het fenomeen 'KijkGrijp', dat het buurtwinkeltje van de kaart zou vegen,

De magere naoorlogse jaren speelden een rol bij de ontwikkeling van zelfbedieningswinkel en supermarkt. 'Zo gemakkelijk en zo snel mogelijk boodschappen doen, werd door de rantsoenering belangrijker dan een voorkomende bediening. Ook de vaste maten en gewichten waaraan de klant krachtens de distributie verbonden was, vergemakkelijkten voor de pioniers het aan de man brengen van voorverpakte producten.'

Chris van Woerkom uit Nijmegen staat officieel - hij opende zijn zaak in november 1948 - geboekstaafd als de eerste zelfbedieningswinkelier. Op grond van wat hij had opgestoken uit Amerikaanse vakliteratuur liet hij 'gondola's' (koopeilanden) en stellingen installeren, en kocht hij dertig biezen manden voor de klanten. Strikt genomen, schrijven Rutte en Koning, ging het om semi-zelfbediening. Een aantal artikelen was nog op de bon en kon alleen over de toonbank worden verkocht.

Van Woerkom ('Zelf bedienen is geld verdienen') kreeg een jaloerse Dirk van den Broek op bezoek, die hem graag voor had willen zijn. Met zijn verbouwde melkwinkel aan het Mercatorplein was hij wel de eerste in Amsterdam. Albert Heijn volgde pas in 1952, in Schiedam, maar het filiaal beschikte wel al meteen over metalen stellingen uit Engeland en tl-verlichting.

Andere kruideniers maakten de kardinale fout het systeem te zien als een voortzetting van hun vertrouwde beroep in een moderne omgeving. Zo brak een Drentse kruidenier zijn huis uit, hij adverteerde flink, maar een kasregister had hij niet op de dag van de opening. 'Daar wilde hij niet aan. Zijn vrouw zou wel op de oude manier afrekenen. Dat liep uit op een drama: hij had nog zo'n kassa met een slinger.'

Mede aan de hand van gesprekken met tientallen betrokkenen beschrijven Rutte en Koning hoe ingrijpend de Nederlandse detailhandel veranderde. 'Voor iemand die opgegroeid is met de hedendaagse supermarkten met hun tien- à twintigduizend voorverpakte artikelen, een geolied logistiek systeem en goed georganiseerde winkelketens (. . .) is de situatie waarin ondernemers zich vlak na de oorlog bevonden, bijna onvoorstelbaar.' Een aantal supermarkten bezorgt overigens weer aan huis.

Adriaan de Boer

Meer over