Simpele vormen in een explosief vat

Festival Crossing Border opent woensdagavond in de Nieuwe Kerk in Den Haag met een bonte avond van Jaki Liebezeit, Michael Karoli en Irmin Schmidt....

'HELLOOO', zegt een vreemd mannetje dat met verbaasde blik in de camera tuurt. 'My name is Holger Czukay.' De rest van zijn woorden gaat verloren in een kakofonie van ruis en opzwepende drum 'n bass-ritmes. Snel flitsende beelden tonen hetzelfde mannetje op een podium, terwijl hij bezeten rond een tafel met elektronica en synthesizers huppelt.

Typisch Holger Czukay. Componist, producer en muziekfilosoof, die zijn kunst het liefst op een luchtige, humoristische manier verpakt. Hij is de zestig al gepasseerd, maar nog even enthousiast als vroeger. Czukay heeft een eigen Internet-site, waar realaudio-filmpjes te vinden zijn naast muziek, interviews, en nieuws: Czukay's muzikale dagboek.

De componist-producer en multi-instrumentalist heeft de nieuwe mogelijkheden van Internet met beide handen aangegrepen, zei hij onlangs in een interview. Het biedt hem 'totale vrijheid': 'Ik kan thuis muziek maken, en die vervolgens via Internet verkopen. Dat maakt platenmaatschappijen steeds meer overbodig.'

Het streven naar vrijheid was ooit ook al het uitgangspunt van de jonge avant-gardegroep Can, die door vier muzikanten in 1968 in Keulen werd opgericht: Holger Czukay, Irmin Schmidt, Jaki Liebezeit en Michael Karoli. Drie van de vier bandleden staan de komende week op het podium van Crossing Border.

Jaki Liebezeit met Club Off Chaos, Michael Karoli met Sofortkontakt en Irmin Schmidt met Irmin Schmidt & Kumo. Alleen Holger Czukay is niet van de partij. Oorspronkelijk zouden alle Can-leden hun jubileumprogramma op Crossing Border presenteren (zoals ze dat eerder al in Duitsland hadden gedaan), maar Holger Czukay besloot onlangs met zijn Gvoon Magazine uit het programma te stappen. Als reden gaf hij dat het tijd was voor 'a creative break', hoewel het er op lijkt dat hij niet al te gelukkig was met het verloop van de Duitse concerten.

'Goddank is de Can solo-tour voorbij', opent hij zijn nieuwsbrief van 1 april, om er aan toe te voegen dat hij nog wel zal zien of en op welke manier hij er in de toekomst mee verder wil gaan. Czukays onverwachte vertrek is de zoveelste breuk in de Can-geschiedenis, die bol staat van conflicten en hooglopende ruzies. Dat Can een explosief vat was, werd meteen duidelijk toen die vier tegengestelde karakters besloten samen een band te beginnen.

Czukay (basgitaar) en Schmidt (keyboards) hadden compositie gestudeerd bij Stockhausen. Drummer Liebezeit, die nog met Chet Baker had samengespeeld, kwam uit de free jazz, terwijl Michael Karoli zich - voordat hij overstapte op de elektrische gitaar - had bekwaamd op de zigeunerviool. Karoli was zo'n tien jaar jonger dan de anderen, die toen al in de dertig waren. 'We hadden al zoveel meegemaakt, dat we precies wisten wat we niet wilden', aldus Irmin Schmidt, die een carrière in de eigentijdse klassieke muziek inruilde voor het spelen in een experimentele rockband. Voor Czukay betekende Can het 'overboord gooien van alles wat we tot dat moment geleerd hadden'.

Duitsland, dat geen enkele rol had gespeeld in de beat-explosie van de sixties (behalve dan als podium voor bands als The Beatles), kreeg in die tijd voor het eerst aansluiting bij de internationale popwereld. De golf nieuwe Duitse muziek werd door de Britse media al snel Krautrock genoemd, een term waar de Can-leden nog altijd niet gelukkig mee zijn. Al was het maar omdat die totaal verschillende bands onder één noemer probeerde te brengen. Zo produceerde Amon Duül II (een groep uit een hippie-commune in München) vreemd psychedelische tripmuziek. Klaus Schulze, Popol Vuh en Tangerine Dream maakten lang uitgesponnen synthesizer-soundscapes. En Kraftwerk ontwikkelde een heel eigen elektronische sound, waarvan de rechte robotvormen van grote invloed zouden zijn op hiphop en techno.

In een interview met de Süddeutsche Zeitung benadrukt Irmin Schmidt het verschil tussen Kraftwerk en zijn eigen groep: 'Bij Kraftwerk was alles strak voorbereid, bij Can ging het juist om de spontaniteit.' De studio's van beide groepen in Keulen en Düsseldorf lagen amper veertig kilometer uit elkaar. 'Maar de muziek een heel universum.'

Van alle Duitse tijdgenoten was het instrumentarium van Can het meest traditioneel. De bezetting van drums, bas, gitaar en keyboards was die van de gewone rockband, maar een gewone rockband werd Can niet. Tussen 1968 en 1978 werkte het collectief aan een oeuvre waarin de meest uiteenlopende idiomen samenkwamen, van lang uitgesponnen, jazzy improvisaties en soundtracks voor films tot korte, puntige popliedjes en abstracte klankcollages.

Toch droegen al die verschillende stijlen een onmiskenbaar Can-stempel. Arrangementen en instrumentatie waren altijd even smaakvol. Can was een groep die wist wat hij deed, ook op momenten dat hij terreinen verkende die nog zelden waren betreden. Can bleef verre van de bombast en het virtuoze gepriegel van symfonische groepen als Emerson, Lake & Palmer, die nogal te koop liepen met hun technische vaardigheid en bekendheid met het klassieke repertoire.

Czukay en Schmidt kwamen allebei dan wel uit de hoek van de 'serieuze' eigentijdse muziek, ze waren juist gecharmeerd geraakt door de eenvoud van de popmuziek. Het vertalen van complexe ideeën in bedriegelijk simpele vormen werd een van Cans grootste troeven.

In een poging de magie van muziek te vangen, zocht de groep het niet in virtuositeit, maar in een verfrissende naïviteit. Zo koos de band als zanger een zwarte Amerikaanse beeldhouwer, Malcolm Mooney, die geen enkele bandervaring had. Toen de labiele Mooney kort na de opnamen van zijn meest indringende bijdrage Soul desert instortte en noodgedwongen moest terugkeren naar Amerika, vond Can opnieuw een opmerkelijke frontman. Damo Suzuki, een Japanse hippie-beatnik, hadden ze op straat horen zingen en meteen uitgenodigd.

Gerepeteerd werd er niet: improvisatie of 'instant composing' bepaalde voor een groot deel het verloop van de concerten. Hoe meesterlijk de band daarmee uit de voeten kon, wordt opnieuw duidelijk op de dit jaar verschenen dubbel-cd Can live (te bestellen via www.spoonrecords.comm). Het album bevat werk uit de periode 1971-1977, een deel daarvan verscheen al op de compilatie Can Box. Niet eerder uitgebrachte live-jams (zoals Jynx, Fizz en Kata Kong) doen vermoeden dat er nog een grote muziekschat in de Can-kluizen verborgen moet liggen.

Van een serieuze ordening van het Can-materiaal is het tot nu toe niet gekomen, vermoedelijk omdat de muzikanten zelf liever vooruitkijken. Met name Holger Czukay is steeds even actief gebleven. Kort nadat hij de groep had verlaten, deed hij van zich spreken met het opzienbarende album Movies (1979). Met Persian love, een Iraanse zangstem met instrumentatie van Czukay, liep hij vooruit op het ambient-genre. Czukay vond interessante geluidsfragmenten met behulp van een van zijn favoriete instrumenten: de wereldontvanger. Hij beschikte niet over een sampler, maar bediende zich van het edele handwerk. 'Editen' betekende nog het knippen en aan elkaar plakken van stukjes tape.

Dat had hij ook gedaan bij Can: de urenlange improvisaties werden door hem teruggebracht tot een bruikbare lengte. Can beschikte vanaf het begin over een eigen studio (Inner Space), waar de groep dag en nacht terechtkon. Dat was voor die jaren een grote luxe. Ze speelden, zoals Czukay het later zou omschrijven, voor een gewillig publiek van studio-apparaten, die 'niets liever doen dan luisteren'. Ook machines hadden volgens hem een hart en een ziel, en moesten daarom met liefde behandeld worden.

Hoe vooruitstrevend Can eigenlijk was, werd pas in de decennia erna duidelijk. Can was een van de weinige seventies-bands die de punk-explosie overleefden. Sterker nog, bands als The Buzzcocks, The Fall en Public Image Ltd. noemden Can een belangrijke inspiratiebron. John Lydon, die na The Sex Pistols aanvoerder was van PIL, heeft zich zelfs nog aangeboden als nieuwe Can-zanger nadat Damo Suzuki de groep had verlaten. (De connectie met PIL zou later via PIL-bassist Jah Wobble lopen; hij nam bijvoorbeeld met Czukay en Liebezeit How much are they? op.)

Maar ook Eurythmics, Cabaret Voltaire, Jesus & Mary Chain en Japan en eigentijdse bands als Beck, Beastie Boys en Blur hebben zich vol ontzag over het Keulse gezelschap uitgelaten. Twee jaar geleden eerden eigentijdse elektronische producers als Carl Craig, The Orb, System 7 en Kris Needs' Secret Knowledge de Duitsers met een remix-album Sacrilege vol Can-klassiekers. Daarmee werd opnieuw duidelijk dat Can een brug slaat tussen de jaren zestig en negentig, en zowel referenties heeft naar de eigentijdse klassieke muziek als de popwereld.

Al beweerden Irmin Schmidt en Holger Czukay destijds dat ze alles overboord zetten wat ze bij Stockhausen hadden geleerd, toch beschouwt Czukay zichzelf nog steeds als een leerling van de Duitse pionier van de elektronische muziek.

Op zijn homepage beschrijft hij een bezoek dat hij bracht aan de meester, bij welke gelegenheid hij onder meer Persian love liet horen. 'Hij luisterde heel geconcentreerd - hij kan zich bijzonder goed concentreren als hij luistert! -, en het moet toch wel iets betekend hebben voor hem. Want toen we afscheid namen, gaf hij me al zijn platen, elk met een handgeschreven tekst. Hij was duidelijk heel blij van me te horen hoe groot zijn invloed op de hedendaagse muziek, en op mijn eigen muziek, was.'

Meer over