BoekrecensieWat scheelt eraan

Sigrid Nunez vindt woorden voor wat nauwelijks is uit te drukken ★★★★☆

null Beeld Floor Rieder
Beeld Floor Rieder

In een caleidoscopische roman filosofeert de Amerikaanse schrijfster Sigrid Nunez over de eindigheid van het leven en het ongemak in relaties. Ze schrijft scherp en meedogenloos, maar nergens somber. Eerder verwonderd.

Een vrouw krijgt een ongebruikelijke vraag van een doodzieke studievriendin. De vriendin wil een einde aan haar leven maken. De pillen liggen al klaar, ze zoekt alleen nog iemand die haar gezelschap houdt en kan ingrijpen als er iets misgaat. Ze moet zeker weten dat het lukt.

De vrouw, die ook nog tweede keus is – de beste vrienden durfden niet–, zegt verbijsterd ja. Maar dan zijn we al op de helft van het boek. Daarvoor volgen we de verteller, een schrijfster, op weg naar de stad waar haar vriendin in een kankerkliniek verblijft. Ze logeert in een Airbnb en gaat ’s avonds naar de lezing van een hoogleraar die, zo ontdekken we later, haar ex is. Hij houdt een streng betoog over de dreigende ondergang van onze beschaving en vraagt zich zelfs af of we wel moeten doorgaan met kinderen krijgen. En zo begint de roman met een uiteenzetting van de schade die de mens aan de aarde heeft toegebracht. Meedogenloos beschrijft ze de hoogleraar die, zoals zoveel oudere witte mannen, de uitstraling heeft van een roofvogel: ‘spierwit haar, haviksneus, dunne lippen, priemende blik.’

Uitstapjes

Intussen dist de schrijfster associatief verhaaltjes op: over de eigenaresse van de Airbnb, wier bolle en slappe gezicht iets babyachtigs heeft, zoals je wel vaker ziet bij oudere vrouwen. En over de seriemoordenaar in de thriller op haar nachtkastje, die zijn vrouw wil vermoorden maar in plaats van haar twee anderen wurgt, omdat zij er met een minnaar vandoor is.

Zo zijn er nog meer uitstapjes in deze ingenieus gecomponeerde vertelling. Zoals het verhaal van de ‘ooit mooie vrouw’ die de verteller steeds in de sportschool tegenkomt en die inmiddels lelijk, dik en grijs is geworden. En verbitterd: ‘Het ergste is het van de achterkant, zei ze. Ik kan echt niet uitstaan hoe ik er van achteren uitzie.’

Voordat we weer terug zijn bij de doodzieke vriendin, krijgen we nog een treurig en bij vlagen hilarisch verhaal over de eenzame buurvrouw van 86, bij wie de schrijfster af en toe langsgaat met koffie en muffins. Deze vrouw, die vroeger feministisch was, klaagt, scheldt en schreeuwt alleen maar. De schrijfster is bang voor haar, maar blijft haar bezoeken, al was het alleen maar omdat ze daarna het gevoel heeft dat ze een goede daad heeft verricht.

De personages in Nunez’ roman hebben geen naam; ze zijn de ex, de vriendin, de buurvrouw, de zoon, de dochter. Dat creëert afstand, maar suggereert tegelijkertijd een universele geldigheid. Ze staan model voor een bepaald type mens. Nunez versterkt dit nog door sommige protagonisten nadrukkelijk in een hokje te plaatsen, bijvoorbeeld in de categorie ‘boze witte oude mannen’ of ‘verbitterde oude vrouwen’.

Filosofische blik

Sigrid Nunez, die voor haar vorige roman De vriend de National Book Award for Fiction kreeg toegekend, schrijft lichtvoetig over treurige onderwerpen. Ze onderzoekt de gebeurtenissen met een filosofische blik, geïnspireerd door schrijvers zoals Henry James, Virginia Woolf en Ingeborg Bachmann. In lijn met die laatste legt ze vooral de relatie tussen mannen en vrouwen onder een vergrootglas.

Eindigheid en naastenliefde zijn de hoofdthema’s van het boek. De eindigheid van het leven, maar ook de vergankelijkheid van schoonheid en liefde. Hoe kan het toch, peinst de verteller, dat ze de man die zo vriendelijk naar haar lachte in de metro, niet herkende? Hij was toch ooit de grote liefde in haar leven? Het doet haar denken aan die andere ex die ze laatst in een restaurant zag: ‘In één ademtocht weer teruggezet naar de jaren van hartstocht en verdriet.’ Waarom voel ik niets meer, vraagt ze zich verwonderd af. Hoe kan het toch dat er niets meer is waar vroeg alles was.

Het thema naastenliefde wordt subtiel uitgewerkt in de ongemakkelijke en moeizame relaties van de personages. De aanvankelijk stroeve band tussen de schrijfster en haar vriendin, de getroebleerde verhouding van de doodzieke vriendin met haar dochter en de onbeholpen manier waarop de trainer in de sportschool contact maakt met de schrijfster. ‘Wat scheelt eraan’, vraagt hij, en, als zij moet huilen: ‘Wat erg, kan ik iets voor je doen?’ Ze raakt geïrriteerd door de clichés waarin hij spreekt, maar, schrijft ze: ‘Het was niet zijn schuld dat onze taal uitgehold is, verruwd en doodgebloed, waardoor we altijd suf reageren of sprakeloos staan tegenover elke emotie.’

Wat zeg je tegen mensen die iemand hebben verloren? Hoe verwoord je zelf het grootste verdriet in je leven? De taal is ontoereikend. ‘Hoe hard we ook ons best doen om de belangrijkste zaken in woorden te vatten, het blijft balletdansen op klompen.’ Maar, om bij deze beeldspraak te blijven, hier danst de schrijfster met de fijnste balletschoentjes. Ze vindt zelfs de woorden om de paradoxale werkelijkheid voelbaar te maken. Toen ik het boek dichtsloeg, wist ik niet alleen dat de trieste episode met haar vriendin op weg naar de dood de gelukkigste tijd in haar leven was. Ik begreep het ook.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Sigrid Nunez: Wat scheelt eraan. Uit het Engels vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap. Atlas Contact; 224 pagina’s; € 22,99.

Meer over