PostuumSidney Poitier (1927-2022)

Sidney Poitier weigerde neerbuigende rollen en maakte de weg vrij voor zwarte filmsterren

Sidney Poitier in 1965.  Beeld Corbis via Getty Images
Sidney Poitier in 1965.Beeld Corbis via Getty Images

Sidney Poitier, de eerste zwarte ontvanger van de Oscar voor beste acteur, is op 94-jarige leeftijd overleden. Met zijn trotse invulling van zorgvuldig geselecteerde rollen voltooide hij een zachte revolutie voor collega’s die na hem kwamen.

Floortje Smit

Het is, zoals dat heet, inmiddels Een Moment in de Filmgeschiedenis. 13 april 1964 was de eerste keer dat er een zwarte man met een Oscar voor beste acteur in zijn handen stond. Sidney Poitier, die de prijs won voor zijn rol in Lilies of the Field, bedankte stralend, en dat was het.

‘Zei ik tegen mezelf: dit land wordt wakker en ziet in dat sommige veranderingen onvermijdelijk zijn?’, schreef Poitier later in zijn autobiografie The Measure of a Man over dat moment. ‘Nee. Ik wist dat we nog niets ‘overwonnen’ hadden, want ik was nog steeds de enige. Mijn carrière was uniek in Hollywood.’

Poitier, op vrijdag 7 januari overleden op 94-jarige leeftijd, was een geweldige acteur en had, zoals je dat noemt, star power – hij was een onvervalste filmster. Maar daar kwam bij dat hij als zwarte acteur op meerdere vlakken een pionier was: de eerste die een Oscar en een Golden Globe won voor beste acteur, de eerste die als zwarte leading man de vooroordelen van wit Amerika probeerde weg te nemen en de eerste die generaties zwarte acteurs na hem liet dromen van een acteercarrière waarin zij niet alleen slechteriken of passieve slachtoffers hoeven te spelen.

Sidney Poitier in Guess Who’s Coming to Dinner (1967). Beeld
Sidney Poitier in Guess Who’s Coming to Dinner (1967).

Poitier groeide op op de Bahama’s, op Cat Island, een eiland zonder elektriciteit en auto’s. Een spiegel hadden ze niet bij Poitier thuis. ‘Ik dacht niet na over mijn huidskleur’, schreef hij later. ‘Net zomin als ik me afvroeg waarom het zand wit was en de lucht blauw.’ Het zorgde ervoor, zei hij, dat hij zich later na zijn verhuizing naar Amerika nooit uit het veld liet slaan door discriminatie en racisme: zijn jeugd had hem zelfvertrouwen en een sterk gevoel van eigenwaarde gegeven.

Koppig was hij ook. Als tiener werd hij naar Miami gestuurd, later verhuisde hij naar New York, waar afwasbaantjes hem nog maar net van de straat wisten te houden. Acteren leek hem simpelweg leuker, maar bij zijn eerste auditie werd hij keihard afgewezen: word jij maar gewoon afwasser, kreeg hij te horen. Niet zo vreemd, want hij kon niet spelen, niet lezen en had een vet accent. Maar die opmerking maakte hem vastberaden: hij leerde zichzelf lezen met behulp van de krant, werkte zijn accent weg en een halfjaar later werd hij wél aangenomen.

Ideale acteur voor antiracismefilms

Via Broadway belandde hij uiteindelijk in Hollywood, waar hij de ideale acteur bleek voor regisseurs die zich via hun films wilden uitspreken tegen racisme en discriminatie. In zijn debuutfilm No Way Out (1950) speelde hij een plattelandsdokter die te maken kreeg met een racistische patiënt. In The Defiant Ones (1958) is hij een ontsnapte veroordeelde die nog vastgeketend zit aan een witte gevangene: om te overleven, moeten ze elkaar leren te vertrouwen. Hij moest zich als detective staande houden in een racistisch stadje in In the Heat of the Night (1967) en kwam in Guess Who’s Coming to Dinner (1967) als keurige vrijer op bezoek bij zijn witte toekomstige schoonfamilie. Hij was zich bewust van het feit dat hij een rolmodel was – zelfs toen hij nog in geldnood zat weigerde hij rollen die volgens hem neerbuigend waren. Wat Poitier zijn personages gaf, was charme en een air van trots – hij speelde veelal intelligente mannen die zich met rechte rug bewegen in een witte wereld.

Het is precies wat hem, vanuit de radicalere hoeken van de burgerrechtenbeweging, kwalijk werd genomen. In The New York Times verscheen in 1967 een artikel onder de kop ‘Why Does America Love Sidney Poitier So?’, waarin het ‘Sidney Poitier-syndroom’ werd beschreven: ‘een goeie kerel in een compleet witte wereld, zonder echtgenoot, zonder schatje, zonder vrouw om lief te hebben of te kussen, die de witte man helpt om zijn witte problemen op te lossen.’ Het was kritiek die hem raakte: ‘Er is een plek voor mensen die boos zijn en uitdagen, maar mijn rol was dat niet’, schreef hij in zijn autobiografie.

Het belang van Poitiers zachte revolutie valt echter niet te onderschatten. Na zijn hoogtijjaren in de jaren zeventig verdween hij geleidelijk uit beeld – hij deed wat pogingen tot regisseren en was zelfs nog tien jaar ambassadeur in Japan – maar hij had wel de weg gebaand voor mensen als Eddie Murphy en Denzel Washington. Hij was een voorbeeld, het bewijs dat het kon, als zwarte man op een Oscarpodium komen. Of zoals Oprah Winfrey het omschreef in haar speech tijdens de Golden Globes in 2018: ‘Hij was de elegantste man die ik ooit had gezien. Zijn das was wit, zijn huid was zwart. Ik had nog nooit een zwarte man zo geëerd zien worden. Ik kan niet genoeg benadrukken wat voor effect dat had op een klein meisje, op een kind dat dit ziet op het moment dat haar moeder net doodmoe thuiskomt van het schoonmaken van andermans huizen.’

Meer over