Shohei Imamura toont mooie ballade over de mensheid

Na Wim Wenders is de 70-jarige Japanse regisseur Shohei Imamura de tweede man die op het jubileumfestival van Cannes probeert opnieuw een Gouden Palm te winnen....

Van onze verslaggever

Peter van Bueren

CANNES

In 1989 was de Japanner terug in Cannes met Black Rain, die prachtige film over de gevolgen van de atoombommen die destijds een einde maakten aan de Tweede Wereldoorlog. Black Rain was ten onrechte geen succes en Imamura moest acht jaar wachten voordat hij een nieuwe speelfilm kon maken.

De aal heet zijn nieuwe ballade over de mensheid. Het verhaal komt uit een boek van Akira Yoshimura en gaat over een man die op zekere dag thuis komt en zijn vrouw met een ander in bed treft. De man bedenkt zich geen seconde, vermoordt haar en meldt zich meteen bij de politie. Dankzij een voortreffelijk gedrag wordt hij acht jaar later vrijgelaten. En oude monnik houdt hem in de gaten, wanneer hij probeert een nieuw en keurig leven op te bouwen.

Op een verlaten plek buiten de stad begint deze anti-held een kapperszaak en omdat daar weinig klanten komen heeft hij tijd zat voor zijn grote passie: vissen. Op zekere dag redt hij een jonge vrouw die zelfmoord probeert te plegen. Zij doet sterk aan zijn vermoorde vrouw denken en komt bij hem in de zaak werken. Hij wil niets weten van haar affectie en is als de dood zijn verleden te verraden. Maar het leven gaat zoals het gaat en het verloop laat zich voorspellen, zij het na enkele onverwachte wendingen.

De titel van de film slaat op een aal die de man in de gevangenis verzorgde en met wie hij lange gesprekken voert. Hij wil gewoon een rustig leven leiden, net als zijn aal, die voor hem een kameraad is aan wie hij zijn geheimen kwijt kan. Of God, zoals Imamura zelf zegt, maar dat is een beetje te mystiek, terwijl de film juist zo aangenaam weinig te maken heeft met die bekende Japanse drama's vol geisha's en theeceremonies.

De aal is een mooi, eenvoudig verhaal, dat effectief verteld wordt. Aanvankelijk zet Imamura je op een verkeerd been, want je hebt niet gelijk door dat het uiteindelijk een optimistisch blijspel is, met een slot waarover getwist kan worden. Meestal gebeurt het andersom: in een rustig verhaal broeit iets dat in het slot tot een explosie leidt, terwijl hier steeds eerst een explosie is of dreigt en daarna de rust volgt. Merkwaardig toch, dat zo'n getalenteerde regisseur zo weinig kans krijgt meer van dergelijke mooie films te maken.

Meteen volgde opnieuw een intelligente, goed gemaakte film die geen sensatie veroorzaakt maar aan alle kanten deugt: The Ice Storm van Ang Lee, de Taiwanese regisseur die in 1978 naar de Verenigde Staten vertrok, vijf jaar na het jaar waarin de film, gebaseerd op het geljknamige boek van Rick Moody, zich afspeelt.

In 1973 was het tien jaar geleden dat John F. Kennedy vermoord werd. Nixon verslikte zich in de Watergate-banden, terwijl welgestelde middelbare typen in de buitenwijken nog steeds jaren zestigje spelen door elkaar te bedriegen met de buurvrouw of de buurman, terwijl hun kinderen ook al aan net knoeien zijn met sex. Aan het eind van dat jaar zal een ijsstorm Californië binnenvallen, maar de kou zit allang in die gezinnen, die van de idealen uit de jaren zestig niets gebakken hebben. Stagnatie alom dus.

In zijn vorige film, Sense and Sensibility schetste Ang Lee de negentiende eeuw van Jane Austen, dit keer is hij dichter bij de actualiteit, in een terugblik op een verleden dat nog dichtbij is en wellicht nu pas aan verwerking toe is. Je hebt de indruk dat bijna alles in The Ice Storm al eens is vertoond, maar wellicht komt dat in de Verenigde Staten anders aan. Het boek is ook pas drie jaar geleden geschreven en gaat misschien ook meer over de kinderen van de ouders die door de film vrij genadeloos te kijk worden gezet.

The Ice Storm is niet revolutionair, evenmin echt scherp, maar wel intelligent in zijn refelecterende karakter en de vaardige manier waarop Lee het gegeven uitwerkt. Ook al een prima film, zonder dat je een enerverend cinematografisch avontuur beleeft.

Dat laatste zou je graag in Cannes willen, om het eerste moet je blij zijn in een tijd dat het gemiddelde gehalte van een Amerikaanse bioscoopfilm buiten technische hoogstandjes weinig heeft te bieden.

Meer over