Sensueel of kitsch?

Onlangs werd 40 miljoen euro voor haar doornappel neergeteld. Een unicum voor een vrouwelijke kunstenaar. Georgia O'Keeffe diende de collega's van haar tijd van repliek met haar weelderige werk. Recensent Rutger Pontzen schat haar op waarde.

Rutger Pontzen
Jimson Weed/Weed Flower No.1, 1932. In het bezit van het Crystal Bridges Museum of American Art, Arkansas en gefotografeerd door Edward C. Robison III. Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/DACS, London
Jimson Weed/Weed Flower No.1, 1932. In het bezit van het Crystal Bridges Museum of American Art, Arkansas en gefotografeerd door Edward C. Robison III.Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/DACS, London

Het is even wennen. Op de uitnodiging van het Londense Tate Modern stond het kunstwerk groot afgedrukt. In het echt is de geschilderde bloem, een parelmoerkleurige Jimson Weed-plant, van de Amerikaanse Georgia O'Keeffe (1887-1986) vooral grotesk. Anno 2016 slaat zo veel idyllische natuur je recht in het gezicht: romantisch, op het dweperige af.

Maar wat blijkt: de geschilderde doornappel (uit de nachtschadefamilie) wisselde twee jaar geleden bij Sotheby's in New York voor 40 miljoen euro van eigenaar. Het geldt sindsdien als het duurste schilderij van een vrouwelijke kunstenaar. En dat terwijl het doek op de overzichtstentoonstelling van O'Keeffe geen uitzondering is. Het stikt er van de bloemen en planten. De expositie laat zich bekijken als een gevarieerde wandeling door de natuur, tijdens een zonovergoten zondagmiddag.

Om je heen ontrolt zich een landschap van woest hooggebergte en dorst opwekkende woestijnen; met zandkleurige huisjes en een rijke natuur van bomen, planten en bloemen; langs gestolde rivieren en smeltende bergen. Seizoenen wisselen elkaar in Londen per zaal af, de zachte lentes, helse zomers, koele herfsten, heldere winters. Er zit schwung in haar werk, zeker, maar O'Keeffe lijkt bij het schilderen ook gewoon alle ramen tegenover elkaar open te hebben gezet: de pigmenten zijn door elkaar gewaaid, en met olie en water ineengevloeid, als een scheutje melk dat door de thee is geroerd.

Sensueel, zou je het kunnen noemen; kitsch, ligt meer voor de hand. Het is opmerkelijk voor wie de biografie van O'Keeffe een beetje heeft doorgespit. Hoe kon deze onafhankelijke vrouw zich zo wentelen in sentimentele voorstellingen in ton sur ton van oudroze en mintgroen?

Haar leven was uitzonderlijk, zeker voor die tijd. Het moet een uiterst zelfstandige tante zijn geweest, een buitenbeentje met een uitgesproken mening. Geboren en opgegroeid in Wisconsin, niet ver van Chicago, leefde O'Keeffe later grotendeels in ruige oorden als New Mexico en Texas, ver van de artistieke inner circle aan de Amerikaanse oostkust. Ver verwijderd van het toenmalige clichébeeld, van de gedienstige vrouw die enkel als muze een rol in de kunst kon spelen.

Georgia O'Keeffe in 1918, door Alfred Stieglitz. Beeld © The J. Paul Getty Trust
Georgia O'Keeffe in 1918, door Alfred Stieglitz.Beeld © The J. Paul Getty Trust

Fijn oog

'Eindelijk een vrouw', schijnt Alfred Stieglitz (1864-1946) te hebben gezegd, toen Georgia O'Keeffe zich meldde voor een tentoonstelling in zijn galerie in New York. Hij was niet alleen begenadigd (en romantisch) fotograaf van stedelijke sfeerbeelden, hij bezat ook een fijn oog voor hedendaagse kunst. Tussen hen ontstond een gepassioneerde verhouding. Stieglitz verliet er zijn vrouw door, was verdrietig als O'Keeffe weer eens naar New Mexico vertrok en schreef haar dan drie, vier brieven per dag, niet zelden van veertig kantjes.

Stieglitz

Natuurlijk, ook O'Keeffe was een kind van haar tijd. Als kunstenaar nam ze de Europese invloeden over die aan het begin van de 20ste eeuw Amerika binnenwaaiden: de Franse lyriek en het Duitse expressionisme. Ze eigende zich psycho-analytische theorieën toe van Sigmund Freud en spiritueel-artistieke opvattingen van Wassily Kandinsky. Haar bekendheid met Europese kunst en kunstenaars ontstond door haar relatie met fotograaf Alfred Stieglitz. De meester van de verstilde opnamen van New York (veel mist, alles in duizend tinten grijs) runde een van de eerste avant-gardegalerieën in de VS: Gallery 291 aan Fifth Avenue. Daar introduceerde hij de schilderijen van Picasso, Braque en Matisse voor het Amerikaanse publiek.

O'Keeffe leerde de galerie als student kennen en exposeerde er zelf in 1916, op 28-jarige leeftijd. Het is mooi dat in Londen dat vroege werk van O'Keeffe wordt getoond in een reconstructie van Stieglitz' galerie. De ontmoeting tussen O'Keeffe en (de toen nog getrouwde) Stieglitz zou uitgroeien tot een lange verbintenis. Zij bleef de zelfstandige dame die ze was, pendelend tussen New York en de woestenij van New Mexico, tussen de geborgenheid van Stieglitz en haar solitaire bestaan. Ze kon in haar eigen onderhoud voorzien en had succes. Dat viel af te meten aan de vele, vroege solotentoonstellingen, tot de door verschillende presidenten uitgereikte eremedailles. En 28 jaar na haar dood, liet dat succes zich verzilveren in het recordbedrag dat voor haar geschilderde doornappel werd neergeteld.

From the Faraway, Nearby, 1937, The Metropolitan Museum of Art, New York, uit de Alfred Stieglitz Collection, 1959. Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/ DACS,London.
From the Faraway, Nearby, 1937, The Metropolitan Museum of Art, New York, uit de Alfred Stieglitz Collection, 1959.Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/ DACS,London.

Kitsch

Hoe je dat succes zou kunnen duiden? Het is natuurlijk mogelijk dat de sleutel daarvan in het werk zelf ligt. Kitsch of niet, het appelleert wel aan een algemene, romantische natuurbeleving. O'Keeffe was in alles een buitenmens. Ze schilderde het uitzicht op de afgetopte bergen in New Mexico, het weerspiegelde water van Lake George (waar Stieglitz zijn buitenhuisje had), de appels en aubergines uit eigen tuin, schedels van koeien en herten. En de vele vage vrouwelijke vormen: zie ik daar een bergkloof en abstracte draaikolk van blauwe kleurstof, of is het een vagina en eierstok?

Er is het nodige geschreven over de feministische kant van O'Keeffe. Al in 1921 bezag Stieglitz haar schilderijen en houtskooltekeningen als een uiting van vrouwelijke seksualiteit. Dat heeft haar sindsdien gemaakt én is haar opgebroken. Het imago van feministische kunstenaar is altijd aan haar blijven kleven, hoezeer ze er zelf bij tijd en wijle genoeg van had. In de jaren vijftig paste haar werk in een opkomend existentieel vrouwenbewustzijn om in de jaren zeventig, in de tijd van de vrouwenstudies, herontdekt te worden. Haar ontwikkeling viel samen met de strijd voor vrouwenrechten en de interesse voor vrouwelijke kunstenaars. O'Keeffe werd een boegbeeld van de emancipatiebeweging en een voorbeeld voor vele vrouwelijke kunstenaars na haar, zoals de schilder Lee Krasner, beeldhouwer Barbara Hepworth en fotograaf Lee Miller.

New York Street with Moon, 1925, uitgeleend door Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid. Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/ DACS,London.
New York Street with Moon, 1925, uitgeleend door Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid.Beeld © 2016 Georgia O'Keeffe Museum/ DACS,London.

Authentiek Amerikaans

Tel daarbij de hang op naar 'authentiek Amerikaanse' kunst in het isolationistische Amerika van de jaren twintig en dertig en je krijgt de O'Keeffe zoals die ook nu weer in Londen wordt geëtaleerd. De schilder van robuuste woestijn-vergezichten en stoere gebouwen, uitgevoerd in zwierige, softe 'vrouwelijke' vormen en kleuren. De vrouw die haar eigen draai gaf aan de Amerikaanse kunstwereld, een circuit dat grotendeels werd gedomineerd door haar mannelijke kunstcollega's; notoire innemers, rokkenjagers en door testosteron gedreven opscheppers als Jackson Pollock en Willem de Kooning.

Die unieke positie heeft het imago van Georgia O'Keeffe grotendeels bepaald. Ze wilde een krachtig respons geven op het cliché van de prominent aanwezige mannelijke kunstenaar, maar raakte verstrikt in een ander cliché: dat van de orgastisch bloemen schilderende feministe.

Georgia O'Keeffe, Tate Modern, Londen. T/m 30/10.

Tate nu alweer te klein?

De nieuwe vleugel van Tate Modern moet de aanwas van toeristen kanaliseren. Lukt dat?

Op een maandagmiddag staan een paar dozijn bezoekers voor de lift te wachten die ze naar het dakterras zal brengen. Tevergeefs. Te veel mensen, te weinig liften. Moedeloos nemen ze de steile houten trap, tien verdiepingen hoog. Vorige maand werd de nieuwbouw van de Tate, de Switch House, van het Zwitserse architectenduo Herzog & de Meuron geopend. Tate Modern kreeg vorig jaar 5,7 miljoen bezoekers over de vloer en dreigde aan het eigen succes ten onder te gaan. Directeur Nicolas Serrota lanceerde tien jaar geleden al de nieuwbouwplannen omdat 'binnenkort' de buurt dreigde te worden volgebouwd. Hij moest opschieten om nog een plekje vrij te houden. De omgekeerde puntzak van open metselwerk zou een oplossing bieden aan de aanwas van toeristen. Maar de uitbreiding is wellicht nu al te klein. Niet alleen is het aantal van vier liften ontoereikend, ook voor de vaste collectie op een van de drie tentoonstellingsverdiepingen is het dringen om het werk goed te zien.

De Switch House is gebouwd tegen het oude Tate-gebouw, de Boiler House met zijn befaamde Turbine Hall, een voormalige elektriciteitscentrale aan de Theems. De tentoonstellingsruimte is met 60 procent toegenomen tot ruim 22 duizend vierkante meter. Kosten van de nieuwbouw: 340 miljoen euro.

Hoe verrassend de buitenkant met zijn kantwerk van baksteen er ook uitziet, binnen is alles strak en eenvoudig gehouden. Zeg maar: basic en koud, veelal door de gladde betonnen muren. In de Britse pers werd al gesuggereerd dat het elementaire uiterlijk een anti-prestigieuze houding ademt. Tegen de hoge veilingprijzen van kunstwerken; tegen de blingblinghouding van verzamelaars en (sommige) kunstenaars.

Meer over