boekrecensie

Schrijvers zoeken naar woorden die de opwarming kunnen stoppen

Het gaat in het klimaatdossier allang niet meer over feiten – die kennen we nu wel – maar om het vinden van een antwoord. In een groeiende stapel boeken wordt daarmee een begin gemaakt.

Martijn van Calmthout
null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Vorige maand verscheen het zoveelste rapport van het klimaatpanel IPCC. Het haalde – net als alle voorgangers – de voorpagina’s van de kranten. Niet omdat het nieuws bevatte, integendeel; alles in het nieuwe rapport weten we al jaren. Het nieuws was meer dat we desondanks weinig haast lijken te maken met het afwenden van een wereldramp. Feiten, is de bittere conclusie, doen er kennelijk niet zoveel meer toe in het onrustbarende klimaatdossier.

Maar wat dan wel? Het antwoord is enigszins te vinden in de stapels klimaatgerelateerde boeken die de laatste maanden verschenen. Daarin gaat het niet meer, of in elk geval niet meer alleen, over graden opwarming, centimeters zeespiegel en ecologische ontwrichting. In plaats daarvan zijn auteurs duidelijk op zoek naar meeslepende inzichten, die de klimaataanpak echt op gang kunnen brengen. Naar woorden die de opwarming kunnen stoppen.

Woorden als die van de Vlaamse schrijver David Van Reybrouck, bekend van zijn imposante koloniale geschiedenissen van Congo en van Indonesië. Op 12 december vorig jaar sprak hij in de Pieterskerk in Leiden de vijftigste Huizingalezing uit. Het is een van de dunste boekjes in de recente klimaatstapel. Maar desondanks, of misschien wel juist daardoor, een van de indrukwekkendste.

Kolonialisme

Van Reybrouck heeft het in zijn lezing over klimaatverandering als een koloniaal probleem. Geen kolonialisme in de ruimtelijke zin, van overzeese gebiedsdelen. Hij ziet de klimaatverandering die wij met onze uitstoot van broeikasgassen veroorzaken als een temporele vorm van kolonialisme. Om precies te zijn: we roven de toekomst leeg van de generaties na ons. ‘De mensheid palmt de komende eeuw in met dezelfde meedogenloosheid, dezelfde hebzucht en dezelfde kortzichtigheid waarmee in vroeger tijden werelddelen werden toegeëigend.’

Dat lijkt een woordenspel en geen serieus gereedschap om het klimaat te redden. Maar het idee van kolonisatie van de toekomst, de titel van zijn boekje, legt een morele bodem onder de strijd tegen klimaatverandering, door het als ordinaire roof voor te stellen. Roof van onze eigen kinderen en kleinkinderen. En het gaat zo snel dat we zelfs onze toekomstige zelf beroven. Te beginnen overigens met de oude koloniën, nog steeds.

Van Reybrouck zoekt in zijn puntgave essay naar wegen om in actie te komen. Hij bepleit (opnieuw, want in België experimenteerde hij er al mee) burgerraden, die de politiek en haar electorale kortzichtigheid omzeilen. Gewone mensen, is zijn idee, maken zich wél zorgen over hun kinderen en de wereld, politici niet; die denken alleen aan de volgende verkiezingen.

De IJslandse schrijver en journalist Andri Snaer Magnason maakt dat idee van de toekomstige generaties op een intrigerende manier zichtbaar in Over tijd en water. Hij interviewt, in een stijl die zijn boek haast een roman maakt, zijn grootouders en zijn kinderen en constateert dat een mensenleven geen tachtig of negentig jaar duurt, maar via de verwanten in feite 250 jaar omspant. Hij koppelt zo de smeltende ijskappen van nu aan de ijzige wereld van drie generaties eerder, inclusief oude foto’s van skitochten en gestrande Amerikaanse bommenwerpers, verzonken in het ijs. De wereld, stelt hij vast, verandert nu sneller dan de mens kan bijbenen. Terwijl zijn familiegeschiedenis toch ook laat zien hoe snel de mens zich kan aanpassen, als hij maar wil. ‘De wereld moet opnieuw uitgevonden worden en dat moet net zo snel gebeuren als destijds de uitvinding van de luchtvaart, de kernenergie en de computer – en liefst nog sneller.’

Dialoog

Het is vast niet helemaal toevallig dat de Nederlandse journalist Eva Rovers in haar boekje Nu is het aan ons een vergelijkbaar pleidooi voor burgerklimaatraden houdt als haar levenspartner Van Reybrouck. Maar ze werkt het idee van nieuwe en interessante vormen van democratische besluitvorming aanstekelijk uit, met inspirerende voorbeelden uit Ierland en Frankrijk. ‘Bij dit soort deliberatie gaat het niet om debat, maar om dialoog’, schrijft ze.

Nederland, constateert Rovers ook, gebruikt graag grote woorden, ook in het klimaatdossier, maar maakt op dit vlak niet veel klaar. Sterker, de staat moest via de rechter gedwongen worden zich aan zijn eigen emissieafspraken te houden. Haar afsluitende to-dolijst overhandigde ze onlangs aan minister Rob Jetten voor Klimaat en Energie. In de hoop dat hij het idee de gepolariseerde Haagse politieke stolp binnensmokkelt.

Waarbij de vraag natuurlijk blijft wat de onderwerpen zijn die in zo’n basisdemocratie ter tafel moeten komen. Ook als we vaststellen dat doorgaan op de huidige weg geen goed idee is, blijft het zoeken naar hoe het dan wel moet. Sommige auteurs houden het licht en lollig, zoals natuurcolumnist Koen Arts, de man die ooit een heel jaar buiten in de natuur sliep. In IJsberen met optimisme probeert hij in vijftig verhalen een middenweg te vinden tussen feiten en emoties, maar hij laat de conclusies te vaak aan de lezer over.

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Juist heel praktisch is oud-commandant der strijdkrachten Tom Middendorp, tegenwoordig klimaatdenker. In het gedegen Klimaatgeneraal stelt hij vast dat klimaatverandering leidt tot instabiliteit in de wereld, maar dat het onderwerp bij militaire beslissingen geen enkele rol speelt. Het leger, zegt hij, is zelfs een van de meest vervuilende sectoren die we kennen.

Haast het tegendeel van deze benadering is die van de Wageningse filosoof Vincent Blok, die in Van wereld naar aarde diep en nogal abstract ingaat op wat hij noemt ecologische ontologie: een erkenning dat de aarde het voor het zeggen heeft en niet de filosoferende mens. Iets wat vooral filosofen zal boeien.

Roofbouw

Hardere noten kraakt collega-filosoof en essayist Ton Lemaire die in Tegen de tijd een frontale aanval op het idee van groene groei doet. De roofbouw op de planeet en haar klimaat is het enig mogelijke gevolg van het najagen van groei, van meer en meer. ‘Als de mens zich niet kan bevrijden van de groeidwang van het kapitalisme zal de ongelijkheid steeds groter worden, de rijken steeds rijker, het geweld toenemen en de mensheid niet of met veel moeite overleven op een verwoeste aarde.’

Milieujournalist Jaap Tielbeke van De Groene Amsterdammer deelt, zij het in iets minder gestaalde taal, die antikapitalistische analyse. Groene groei, noteert hij in We waren gewaarschuwd, over vijftig jaar vergeefse waarschuwingen voor een klimaatramp, heeft het zelf verknald. Uiteindelijk winnen bedrijfsbelangen het altijd van milieu en klimaat. De vrije markt heeft geen belang bij het besef dat minder leefbaarder is dan meer.

Tielbeke schreef ook het voorwoord bij De zee van ecologieheld Rachel Carson (met de klassieker Silent Spring de eerste die het publiek wees op de ramp die pesticiden veroorzaken). Deze nieuwe vertaling van het uit 1951 stammende The Sea Around Us is interessant omdat ze laat zien hoe Carson zich toen al realiseerde dat de aarde een kwetsbaar systeem is, in plaats van te groot om kapot te gaan.

Veel meer met de menselijke maat komt ook politicoloog en schrijver Mounir Samuel op een pleidooi tegen ongebreidelde groei en zelfregulering via de markt. Daarbij komt ook het kolonialisme van Van Reybrouck weer aan de oppervlakte. De kolonisatie van de toekomst, schrijft Samuel in het soms wel heel persoonlijke Jona zonder walvis, begint nog steeds in het arme Zuiden, dat de problemen niet heeft veroorzaakt, maar de gevolgen als eerste en haast weerloos zal ondergaan. Het codewoord in dit verband leent hij van de Leidse socioloog Shivant Jhagroe: klimaatonrechtvaardigheid. Wat zelfs voor de klimaattafels in Nederlands opgaat. ‘Voor het grootste deel van de Nederlanders van alle kleur, geaardheid, gender, validiteit en afkomst zullen de grote onvermijdelijke klimaatinvesteringen geen financieel voordeel opleveren (om van de jongeren nog maar te zwijgen).’

Woorden doen ertoe in het klimaatdossier, en meer dan we vaak denken. Maar het verlossende woord? Van Reybroucks idee van het koloniseren van de toekomst inspireert, net als het feitelijke mensenleven van een kwart millennium van Magnason. Maar het woord dat de opwarming stopt lijkt toch nog even niet gevonden.

Koen Arts: IJsberen met optimisme. Noordboek; 208 pagina’s; € 19,90.

Vincent Blok: Van wereld naar aarde. Boom; 240 pagina’s; € 24,90.

Rachel Carson: De zee. Uit het Engels vertaald door Nico Groen. Athenaeum; 288 pagina‘s; € 22,99.

Ton Lemaire: Tegen de tijd. Ambo Anthos; 256 pagina's; € 22,99.

Andri Snaer Magnason: Over tijd en water. Uit het IJslands vertaald door Kim Middel. De Geus; € 22,50.

Tom Middendorp: Klimaatgeneraal. Podium; 312 pagina's; € 21,99.

David Van Reybrouck: De kolonisatie van de toekomst. De Bezige Bij; 100 pagina's; € 16,99.

Eva Rovers: Nu is het aan ons. De Correspondent; 184 pagina's; € 15,00.

Mounir Samuel: Jona zonder walvis. Nieuw Amsterdam; 192 pagina’s; € 17,99.

Jaap Tielbeke: We waren gewaarschuwd. Das Mag; 184 pagina's; € 17,50.