Schrijvers over hun debuut

De allereerste boekuitgave van een auteur die onmiddellijk roem verwierf of in de loop der jaren een naam van betekenis is geworden, blijft altijd intrigeren....

Kees de Bakker kreeg in december vorig jaar ter gelegenheid van het vijftienjarig bestaan van zijn uitgeverij Conserve van de erven Hermans toestemming het romandebuut Conserve van W.F. Hermans eenmalig te herdrukken. Nu zet hij de festiviteiten voort. De twee anderen van de Grote Drie konden niet achterblijven.

Harry Mulisch gaf zijn fiat aan de eerste afzonderlijke herdruk van de novelle Tussen hamer en aambeeld (¿ 39,95), die hij in 1947 schreef en pas vijf jaar later uitgegeven kreeg. Gerard Reve vond het geen punt dat zijn dichtbundeltje Terugkeer, dat hij in 1940 in vijftigvoud liet kopiëren, op 14 december (zijn 76ste verjaardag) eveneens bij Conserve zal uitkomen.

Nu hij toch bezig was, benutte De Bakker de gelegenheid om na zestien jaar ook een herdruk uit te geven van zijn eigen publicatie Mijn eerste boek - 30 schrijversdebuten (¿ 39,95). Door middel van interviews en correspondenties kon hij dertig reconstructies van debuten maken, verluchtigd met aandoenlijke jeugdportretten. Hij dist de geschiedenissen op rond de debuten van onder anderen A. Alberts, J. Bernlef, Hugo Claus, Hella S. Haasse, Maarten 't Hart, W.F. Hermans, Gerrit Komrij, Neeltje Maria Min, Bob den Uyl en Jan Wolkers.

De anekdotische waarde is voldoende om deze herdruk te rechtvaardigen, al zou een vervolgdeel over de debuten van A.F.Th. van der Heijden, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom, P.F. Thomése, Connie Palmen en nog wat anderen inmiddels mogelijk zijn. Nu moeten we het doen met leuke, maar bekende verhalen.

Bernlef verklaart waarom hij in 1960 als 23-jarige zijn dichtbundel Kokkels niet onder zijn eigen naam Hendrik Jan Marsman publiceerde. Er was al een dichter die H. Marsman heette. Toen koos hij de naam van de blinde bard uit de achtste eeuw van wie geen letter is overgeleverd: 'Een man zonder werk, dat vond ik aardig, ja.'

Hugo Claus debuteerde in 1947 als 18-jarige met de bundel Kleine reeks, die door zijn vader werd gedrukt. 'Hem een uitgever noemen is waarschijnlijk overdreven, die gedichten door zijn drukkerij gedrukt heeft hij nooit gelezen.' De kritieken op Kleine reeks waren positief, waaruit de liefst onvatbare Claus zijn conclusies trok: 'Een van de redenen om met mijn tweede poëzieboekje resoluut van koers te veranderen.'

Maarten 't Hart debuteerde in 1973 met Stenen voor een ransuil onder het pseudoniem Martin Hart, en dacht dat zijn familie er niet achter zou komen. Zo onnozel was die familie ook weer niet.

W.F. Hermans antwoordt op de vraag of hij bemoedigende kritieken kreeg op zijn dichtbundel Kussen door een rag van woorden (1944) met kenmerkende stekeligheid: 'Een oliedomme vraag. Ik geloof dat er in 1944 helemaal geen kritieken meer verschenen en het was een clandestiene uitgave.'

Gerrit Krol krijgt de vraag voorgelegd wat het contact met de uitgever voor hem betekent: 'Contact met uitgevers is voor een auteur altijd prettig - zolang er niet over geld gepraat wordt. En dit is bij mij zelden aan de orde.'

Het verhaal achter de geheimzinnige rasterfoto op het omslag van Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966) van Neeltje Maria Min is ontnuchterend. Wim Gijsen, de science fiction-schrijver en toenmalig redacteur van uitgeverij Bert Bakker: 'Ik zou een paar foto's van haar maken met een niet al te beste camera. Ik was ook geen fotograaf. De foto's mislukten volkomen, maar door ze groot gerasterd af te drukken kregen we iets dat voor ons gevoel toch bij haar paste, maar het werd tegelijkertijd een foto waarop ze niet te herkennen viel. Toen ontstond de kleine mythe dat Neeltje helemaal niet bestond, dat de poëzie geschreven was door een bekend dichter die een onduidelijke grap voor ogen stond.' Met deze dichter was A. Roland Holst bedoeld.

Ook mooi is de nuancering van de mythe dat Jan Wolkers in zijn begintijd nooit een prijs heeft gekregen, reden waarom hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre in 1982 hooghartig weigerde: 'Die prijs komt twintig jaar te laat.' In 1963 kreeg hij voor zijn debuut Serpentina's petticoat echter de novelleprijs van de stad Amsterdam. Weliswaar gaf hij die in 1966 weer terug, uit protest tegen de politieacties tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus, maar dat is iets anders.

Mulisch kreeg geen prijs voor Tussen hamer en aambeeld, maar wel voor het manuscript van archibald strohalm. Daarom wilde De Arbeiderspers die eerder geweigerde novelle alsnog uitgeven, een maand voordat de bekroonde roman als boek verscheen.

Het gaat om een eenvoudig verhaal met een snufje Kafka, een toefje existentialisme en een wolkje politiek engagement. Kort na de Tweede Wereldoorlog schiet de Russische schildwacht Waranef per abuis een Engelse politicus dood. De westerse pers ruikt onraad en eist een onderzoek. De Russen willen de onrust smoren en offeren Waranef aan dat beginsel, door hem tot nazi uit te roepen en vervolgens te executeren.

Een redelijk verhaal met stilistische onhandigheden ('een slag om zijn arm houden', 'een vanzelfsprekend gezicht') van een schrijver die zijn eigen thema's pas later zou exploreren. In het nawoord wijst Arnold Heumakers erop dat Mulisch reeds in 1947 het woord 'procedure' laat vallen. Ei, ei, want hoe heette zijn laatste roman uit 1998? Bij Mulisch verwijst alles naar elkaar, als je er maar zin in hebt dat te zien, en het daarbij als opmerkelijk te presenteren.

Meer over