Interview

Schrijver Sofie Lakmaker: ‘Ik dacht: het is gelukt een goede voetballer te worden, nu word ik een aantrekkelijke vrouw’

Sofie Lakmaker Beeld Catharina Gerritsen
Sofie LakmakerBeeld Catharina Gerritsen

De debuutroman van Sofie Lakmaker, De geschiedenis van mijn seksualiteit, werd afgelopen februari onthaald met lovende recensies. Ze werd vergeleken met Arnon Grunberg en J.D. Salinger, even nietsontziend, even grappig. Wie is Sofie Lakmaker? (Let op: bevat spoilers)

Op de voordeur van Sofie Lakmaker hangt een foto van een jonge Zlatan Ibrahimovic in zijn Ajax-tijd (2001-2004). Lakmaker, zelf fanatiek voetballer, hing hem daar nadat ze zijn autobiografie Ik, Zlatan had gelezen. Op zich heeft ze ‘geen verschrikkelijk bijzondere gevoelens’ voor de Zweedse spits die steevast in de derde persoon over zichzelf praat. Wel heeft ze een fascinatie voor mensen – voetballers – die hun eigen zelfvertrouwen tot kunst weten te verheffen. ‘Cristiano Ronaldo volg ik om die reden ook al jaren.’

Zelfvertrouwen (of het gebrek eraan) tot kunst verheffen, dat is misschien ook wel wat Lakmaker in haar autobiografische en ontwapenende debuut doet. ‘Zo rond mijn 17de is bij mij het idee ontstaan om een genie te worden’, schrijft ze in in haar openingshoofdstuk. Ze is van plan ‘een Grote’ te worden.

Lakmaker (26) groeide op in een gedeeltelijk Joods gezin in Amsterdam-Oud-Zuid. Vader is historicus en werkte bij het Rijksmuseum, moeder schreef onder meer een boek over haar in Auschwitz overleden grootvader Leman Lakmaker. ‘Mijn moeder heeft me vernoemd naar haar grootmoeder, die op haar verjaardag werd vergast in Auschwitz’, schrijft Lakmaker en passant in een hoofdstuk dat verder gewijd is aan ongemakkelijke seks met de aanvoerder van haar voetbalteam.

De geschiedenis van mijn seksualiteit verscheen in februari bij Das Mag, de uitgeverij van haar (half)broer Daniël van der Meer. Ze schrijft columns voor De Groene Amsterdammer en Linda meiden. Haar geld verdient ze als pizzabakker.

De roman is zeer persoonlijk van aard. De hoofdpersoon richt zich geregeld tot de lezer, waardoor hoofdpersoon en schrijver nog meer lijken samen te vallen. De vertelling beslaat de periode tussen pakweg haar 17de en 24ste levensjaar. Lakmaker weidt hoofdstukken aan haar ex’en, intellectuele vorming en moeder.

Haar jeugd vat ze kernachtig samen: ‘Ik wilde Kluivert zijn, dat is het enige wat ik jullie erover vertel. Ik wilde iedere dag een puntertje maken en daarmee de finale winnen. Vervolgens wilde ik mijn T-shirt uittrekken en dan weer aantrekken, met de verkeerde kant naar voren. Dat is alles wat ik wilde.’

‘Geloof het of niet, maar mijn moeder was dus echt dit hele verhaal lang ziek’, opent Lakmaker het slothoofdstuk. Het doet de lach die door de rest van het boek schalt verstommen. Al sijpelde in de voorgaande hoofdstukken haar kwetsbaarheid allang tussen de regels door.

Want onder het harnas van onverschrokkenheid en humor schuilt een vertwijfelde adolescent die ontdekt dat ze op vrouwen valt, worstelt met haar vrouwelijke verschijningsvorm en haar zieke moeder verliest. Als lezer zou je bijna de woorden van een van haar personages willen herhalen: ‘Dushi, het komt goed, ook als het niet goed komt.’

Lakmaker, klein en rank, maakt thee. Ze eet mandarijnen en chocola. Ze formuleert zorgvuldig, plukt veel aan haar haar. Gedurende het interview springt ze soms op, om een boek te zoeken, iets aan te wijzen, naar een foto op haar telefoon te scrollen.

null Beeld Catharina Gerritsen
Beeld Catharina Gerritsen

Ze schrijft zoals ze praat, zegt ze. ‘Ik ben geneigd het leuk te houden, ondertussen beweegt het om een soort kern van pijn. Op het zomerkamp van mijn uitgeverij schreef ik een kort verhaal, ‘De Black Giant’. Wacht, waar ligt-ie?’ Lakmaker staat op. ‘Of, nou ja, dat voegt misschien niet zo veel toe.’ Ze gaat weer zitten.

‘‘De Black Giant’ is een voorbinddildo. Dat verhaal was tegen het schreeuwerige aan. Een verhaal waar je hard om kan lachen. Maar uiteindelijk was het bedoeld om te laten zien hoe akelig ik me voel over mijn lichaam.

‘Aanvankelijk waren er geen recensies, alleen maar interviews. Die gingen enkel over mij als persoon, niet mijn schrijven, en dan ook nog eens alleen over de manier waarop ik afwijk van een bepaalde norm. Over genderdysforie (de psychologische term voor transgender-zijn, red.), de poli bij de VU, of ik me meer jongen of meisje voel. Ik weet dat je als debutant blij met alle aandacht moet zijn...’

Lachend: ‘En nu doe ik het weer, zelf over het gendergedoe beginnen, zonder dat ernaar wordt gevraagd.’

Na een korte stilte: ‘Ik vind het prima om het erover te hebben. Maar ergens ben ik bang om gezien te worden als queer persoon, en niets méér dan dat.’

Lakmaker beschrijft in haar roman het ongemak dat ze voelt over haar lichaam, althans, met bepaalde delen ervan, zoals haar borsten. Dat doet ze één keer expliciet: ‘Inmiddels heb ik heel kort haar en zit ik in een praatgroep voor transgenders. Wil je daar meer over weten? Bel me maar.’ Verder is het vooral iets dat op de achtergrond sluimert.

Ze noemt de Amerikaanse filosoof Judith Butler. ‘Butler is gay. Ze wilde heel lang niet over queerthema’s schrijven, en ik snap dat. Ze schrijft over verscheidene onderwerpen, maar haar werk werd bij filosofie alleen behandeld in vakken over identiteit of feminisme, terwijl de onderwerpen van oude witte heteroseksuele mannen bij de universele vakken belanden.

‘Daar gaat mijn angst over. Ik wil graag objectief als talent worden gezien en niet worden gereduceerd tot een onderwerp. Tegelijkertijd vind ik dat je het verplicht bent om je meest integere interesses te volgen, en die interesses worden grotendeels gevormd door de ervaringen waarin je je voelde afwijken.’

Dat is wat ik ze wilde vertellen: dat ik zo weinig zeker weet, dat ik er altijd naast heb gezeten – naast de jongen en naast de meisjes, en dat ik me nu maar eens wilde aanmelden bij het VU Medisch Centrum, omdat je daar minder meisje en meer jongen kunt worden. Dat is hoe ik het het liefst formuleer, snap je? Meer jongen. Jongens zelf zijn echt sukkels. Maar gewoon – ietsje meer.

Weet je wat mijn ouders deden? Ze deden alsof ik het niet had gezegd.

null Beeld Catharina Gerritsen
Beeld Catharina Gerritsen

‘De gesprekken die ik met mijn moeder heb kunnen voeren over hoe ik me eigenlijk echt geen vrouw voel, gingen moeizaam. Maar we hebben vooral te weinig tijd gehad. Ik stond erg lang op een wachtlijst, dan gebeurt er dus niets. Tegen de tijd dat ik aan de beurt was, was ze al overleden.’

Als dat deuntje van Turks fruit opstond, dachten zij allemaal aan een rossig meisje dat achter op iemands fiets sprong. Ik dacht gewoon aan uitgezaaide kanker.

‘Rouw is ingewikkeld. In feite is het een onafgebroken niets, met hier en daar een teleurstellende herinnering. Soms bel ik mijn moeder, en dan is het in zekere zin een teleurstelling dat ze niet opneemt. Maar beter dan die teleurstelling wordt het niet, dus luister ik aandachtig haar voicemail af.

‘Vannacht had ik nog een nachtmerrie over haar. Ze stierf bijna, maar toch niet en ze nam van de gelegenheid gebruik om mijn vader en mij te verlaten. Dat droom ik best vaak. Dat ze net niet doodgaat en vervolgens heel afstandelijk doet. Uit zulke dromen blijkt wel dat ik meer voel dan alleen verdriet, ook een soort woede. Hoewel mijn specialiteit bij angstigheid ligt. Ik vraag me af of mijn angsten minder worden als het me vaker zou lukken om me daadwerkelijk verdrietig te voelen over mijn moeder. Of boos, hoe onterecht die woede ook is.’

Ze wijst naar een stapeltje naast het aanrecht. ‘Daar, onder Mazraoui, ligt mijn moeder.’ Onder een krantenfoto van de Ajax-verdediger in actie ligt een fotolijst met daarin een foto van haar moeder en oma.

‘Het klinkt gek, maar ergens heeft het ook iets conventioneels, verdriet om een dode moeder. Dat zei ik in eerste instantie ook tegen mijn uitgever: moeder met kanker, dat hoeft er niet in, dat weten we nou wel.

null Beeld Catharina Gerritsen
Beeld Catharina Gerritsen

‘Verdriet om een dode moeder, iedereen slikt dat. Soms doe ik maar gewoon alsof ik me daarom niet goed voel, terwijl ik eigenlijk niet weet waarom ik me zo voel. Je komt werkelijk overal mee weg met een zieke of overleden moeder. Ik kwam bijvoorbeeld vaak te laat op training, dan zei de coach: dat snap ik, want jouw moeder heeft kanker.’

Tijdens de première ontmoette ik haar ouders, en het enige wat haar moeder tegen me zei was: ‘Ik dacht dat je lang haar zou hebben.’ Haar moeder was van het ergste soort: zeggen dat het prachtig is als je dochter op meisjes valt, maar van een klif willen afspringen wanneer het meisje in kwestie aantoonbaar lesbisch is.

‘Tot mijn 16de was ik monomaan bezig met voetbal. Mijn lichaam stond in dienst daarvan. Maar wat er om me heen gebeurde, die dynamiek tussen jongens en meisjes op de middelbare school, begon steeds meer mijn aandacht te trekken. Het was niet dat ik lelijk werd gevonden: ik viel er op een fundamenteel niveau buiten. Ik was onzichtbaar.

‘Omdat ik dingen snel in termen van prestatie bezie, werd het een doelstelling. Ik dacht: het is me gelukt om een goede voetballer te worden, nu ga ik een aantrekkelijke vrouw worden. Ik richtte me op de zaken die ik daarmee associeerde: lang blond haar, steiltang, foundation, mascara.

Op ieder schoolfeest dansten we met z’n vieren in een kringetje, vol spanning afwachtend wie er als eerste zou worden aangerand. En dan deed je ook nog eens mee. Dat is het verschrikkelijke van de middelbare school: meedoen zal je.

‘Die focus op mijn uiterlijk was pragmatisch: het ging erom dat ik gezien werd. Een beetje als schoonmaken met de Franse slag: op het oog schoon, op het oog vrouw. Maar hoe beter dat lukte, hoe meer bekneld en verkrampt ik me voelde, hoe lastiger ik nog kon ademen.’

Lakmaker schopt in haar roman tegen allerlei zaken aan. Ze kan behoorlijk vilein uit de hoek komen, een aantal mensen krijgt ervan langs, soms met gefingeerde naam maar vaak niet. Er is een bijrol voor mannelijke ex/schrijver ‘Sufferd D.’, oftewel Daan Heerma van Voss, die haar eerst een muze en later ‘een lesbische fundamentalist’ noemt. Ook de actrice aan wie ze zich 34 keer moet voorstellen, wordt met naam genoemd. ‘De volgende keer dat ik haar zie, zeg ik denk ik dat ik Sallie Harmsen heet. Misschien dat ze mijn naam dan wel onthoudt.’

Haar favoriete mikpunt van spot zijn de jongens met wie ze op school zat en studeerde: bevoorrechte, rijke, witte, verwaande heterojongens.

‘Het gaat voor een deel over dingen net niet zijn. Ik ben bijna zo’n gast, dat weet ik ook wel als ik die jongens een beetje afkraak in mijn boek. Vier van de vijf adjectieven zijn ook op mij van toepassing is. Ik ben lesbisch, heb genderissues en een dode moeder, maar voor de rest ben ik opgebouwd uit privileges.

‘Mensen op gymnasia in Amsterdam-Zuid krijgen wel heel erg het idee mee dat hun stem mag worden gehoord. Iets van mijn toon is het gevolg daarvan, van comfort. Het is niet alleen maar zuiver lef, lef komt ook ergens vandaan.

‘Die bombastische toon, de bravoure, grappen maken over je eigen uitgeverij (‘Je reis, daar zit een boek in, zeiden ze, maar bij mijn uitgeverij zagen ze overál een boek in’) gaat makkelijker als je uitgever je broer is en je weet dat het een clubje is waar je toch wel bij hoort.

‘Ook de steken richting bekende mensen zijn daar onderdeel van. Al dacht ik tijdens het teruglezen wel: wat loop ik met veel woede rond. Als je met je woede kunt omgaan in het dagelijks leven, hoef je je rancune niet op papier te zetten. Ik ben beleefd in het contact, maar probeer op tragische wijze mijn gram te halen op papier.’

null Beeld Catharina Gerritsen
Beeld Catharina Gerritsen

Lucas Andersen

Op regenachtige dagen kijkt Sofie Lakmaker naar Lucas Andersen – Danish Talent from Ajax 2012, een compilatievideo van de Deense profvoetballer die ooit bij Ajax speelde. Volgens Lakmaker de sierlijkste voetballer van het afgelopen decennium, ‘een man die altijd liep, maar nergens heen ging’. In haar roman vergelijkt Lakmaker zijn spel met lesbische seks: ‘Verschrikkelijk veel voorspel, echt verschrikkelijk veel voorspel, waarna er op een gegeven moment zo veel omtrekkende bewegingen zijn gemaakt dat je eigenlijk niet langer begrijpt waar dit ooit naartoe hoorde te gaan.’

Meer over