Schrijnende noodkreten bij Tsjaikovski

Zonder Iván Fischer zou het Koninklijk Concertgebouworkest het de afgelopen twintig jaar een stuk moeilijker gehad hebben in de periodes dat de successieve chef-dirigenten Chailly en Jansons verplichtingen elders hadden.

Deze week leidt Fischer een programma met Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta, gevolgd door de Vierde Symfonie van Tsjaikovski. De verwantschap tussen Bartók en Tsjaikovski is niet erg groot, of het moest de muzikale structuur van de twee stukken zijn, die beiden in het laatste deel sijpelsgewijs elementen uit de voorgaande delen laten terugkeren. Maar dat Fischer diep graaft is evident.

Discipline en subtiliteit kenmerkten zijn interpretatie van Bartóks ‘snaarinstrumenten’-muziek, waarin de strijkers aanvankelijk in lagen op elkaar gestapeld worden tot een contrapuntisch warrelwoud. De nachtmuziek waarop Bartók het patent heeft, verschijnt hier in het derde deel, met een eenzaam slaande xylofoon, ritselende pizzicati en klinkende dauwdruppeltjes van de celesta, waarop het slotdeel, met de piano als hamerklavier, motoriek en polyfonie met elkaar verzoent en door Fischer wordt afgerond met een exuberante slotspurt.

Het hart van Tsjaikovski’s Vierde wordt gevormd door het contrast tussen de schrijnende noodkreten waarmee het werk opent en de ijle nostalgie die in het tweede deel zijn entree maakt. De wijdbeens dirigerende Fischer biedt de hotsebotsende zwalkritmes van het eerste deel koelbloedig het hoofd en laat de opduikende chromatische loopjes neerdwarrelen als herfstblaadjes. Wanneer Tsjaikovski zelf het rustige vaarwater weer verstoort bedwingt de dirigent het tumult, en buigt het in het Scherzo om tot een fraai gechoreografeerd feestje van. Met overtreffende trappen, precisie en een hoog tempo legt hij in het slotdeel de constructivistische kantjes van de romanticus Tsjaikovski bloot - waarmee zijn graafwerk toch een zeker verband tussen de beide componisten oplevert.

Meer over