Schorpioenen en wentelteefjes Museum Boijmans associeert Piranesi met Escher

De fantasiekelders van de Italiaanse etser en archeoloog Piranesi, de 'Carceri d'Invenzione', overschaduwen de rest van zijn werk. Niemand weet wat ze precies betekenen, maar speculaties te over....

NA DE Tweede Wereldoorlog, de fabrieken lagen in puin, heeft het Duitse automerk BMW zich een tijdlang geconcentreerd op de productie van pannen en kookgerei. Pas ergens in 1951 werden voor het eerst weer auto's gebouwd. Eigenaars van een BMW kun je het bloed naar hun wangen jagen door over dat keukenverleden te beginnen, en door te zeggen dat je zelf in een auto rijdt die door een echte fabrikant is gemaakt.

Een min of meer analoge situatie bestaat er ten aanzien van de Italiaanse etser en tekenaar Giovanni Battista Piranesi. In zijn korte leven (1720-1778) heeft hij ruim drieduizend etsen en tekeningen gemaakt. Niettemin, zodra hij ter sprake komt, gaat het bijna altijd over een dertigtal voorstellingen, de zogenoemde Carceri d'Invenzione, die strikt genomen met de rest van zijn werk in het geheel niets te maken hebben.

Over die fantasiekelders bestaat een even omvangrijke als hopeloze literatuur, bijna altijd speculatief en zelden overtuigend. Victor Hugo, Herman Melville, Simon Vestdijk, Sergej Eisenstein, Aldous Huxley - de meest uiteenlopende figuren hebben geprobeerd er een touw aan vast te knopen, maar of het nu ging om romantische, hallucinatorische, metafysische, surrealistische of andere interpretaties, veel helderheid heeft allemaal het niet opgeleverd. We betreden hier het terrein waarop, zoals Cole Porter het heeft uitgedrukt, anything goes.

Het nieuwste van het nieuwste is dat Piranesi's fantasie-architectuur een inspiratiebron zou zijn geweest voor de Nederlandse graficus M.C. Escher (1898-1972). Dat althans is een lijn die het Museum Boijmans Van Beuningen tracht aan te wijzen, op een tentoonstelling die naar een uitspraak van Huxley 'De perfecte zinloosheid van de onmogelijke ruimte' is genoemd.

Het is een tentoonstelling zoals die door een stelletje alternatievelingen in de donkere Middeleeuwen van de jaren zeventig gemaakt zou kunnen zijn, de tijd waarin een mystieke goeroe als Huxley voetstoots serieus werd genomen en menig buurthonk tot de nok met die misselijke wentelteefjes van Escher werd behangen. De hele sfeer van schijnproblemen, wonderdokters, diepe gronden, mateloze lijpheid en het vermogen voor de grootste humbug historische evidentie te vinden - het is alsof dat hele universum in één oerschreeuw tot leven wordt geroepen.

Tot overmaat van ramp wordt de tentoonstelling opgevrolijkt door een videoregistratie waarop Yo-Yo Ma een uitvoering geeft van de tweede suite van Bach, BWV 1008. Deze film, gemaakt door ene François Girard, toont de cellist, spelend in een door een computer bewerkte Piranesi-kerker, en het resultaat is van een verbluffende kitsch. Het is bovendien weer zo'n interdisciplinaire charlatanstruc die het ene raadsel door het andere tracht te vervangen, zodat in één klap twee kunstwerken worden verknald.

Afgezien van het feit dat het werk van Escher artistiek en kunsthistorisch irrelevant is, is er geen enkel redelijk argument te bedenken hem met Piranesi te associëren. In het vouwblad bij de expositie - geschreven door iemand die niet weet hoe de naam Charles Baudelaire wordt gespeld - wordt ook alleen maar geopperd dat Escher 'bewondering' voor Piranesi zou hebben gehad. ('Vergeleken bij de kerkers van Piranesi hebben zijn voorstellingen een opgeruimd karakter.' Niet verzonnen, het staat er echt.) Het enige motief voor Boijmans moet zijn geweest dat in september in de aanpalende Rotterdamse Kunsthal een overzicht van Escher wordt geopend, en dat men in dat kader bereid is allerlei boerenbedrog door de vingers te zien.

De Piranesi-collectie waarover Boijmans beschikt is minder royaal dan die van het Getty Center of het British Museum, maar imposant genoeg om een tijdelijke opstelling te rechtvaardigen. Overbodig om daarvoor naar Escher te grijpen, tenzij men Rien Poortvliet wil beschouwen als de natuurlijke opvolger van Rembrandt.

Er bestaat, en het is ongelooflijk dat we daarover kunnen beschikken, een ooggetuigenverslag van de manier waarop Piranesi te werk ging wanneer hij een Romeinse ruïne beter wilde bekijken. Het is te vinden in de aantekeningen van een Fransman, Jacques-Guillaume Legrand, Notice historique sur la vie et les ouvrages de J.-B. Piranesi, geschreven in 1799. Het betreft de resten van het landhuis van keizer Hadrianus, bij Tivoli, niet ver van Rome: 'Hij was gedwongen met een bijl een weg te kappen door het kreupelhout, om vervolgens het aldus ontgonnen terrein plat te branden met het oog op slangen en schorpioenen. Deze maatregel, nodig om in vrede te kunnen werken, leek even waardevol als de toestemming van de plaatselijke boerenkinkels tot het uitoefenen van hekserij.'

Met andere woorden: onder wat voor bizarre omstandigheden zijn al die etsen eigenlijk totstandgekomen? En dan niet de platen die Piranesi op eigen kracht verzon, maar de kern van zijn oeuvre: de registraties van datgene wat alleen met het meest onhebbelijke kunst- en vliegwerk kon worden blootgelegd. Dat is het werkelijke onderwerp van alle zinvolle speculatie.

Giovanni Battista Piranesi, 1720-1778. De perfecte zinloosheid van de onmogelijke ruimte. Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, tot en met 25 oktober.

Rhea Blok en Maartje de Haan: Giovanni Battista Piranesi, * 29,90.

Meer over