Schoonheid in autowrakken

De Amsterdamse stadsfotograaf Frits Weeda legde de schaduwzijde van de wederopbouw vast. Zijn foto's behagen niet en bevestigen het beeld van grotestadsbewoners als enigszins eenzame individuen....

Door Arno Haijtema

Wat de foto's van Cas Oorthuys, Aart Klein en Henk Jonker zijn voor de generatie Nederlanders die kort na de Tweede Wereldoorlog werd geboren, dat is het werk van de Amsterdamse stadsfotograaf Frits Weeda voor de generatie die de babyboomers opvolgde. Oorthuys en de zijnen legden het zwoegen vast tijdens de wederopbouw, karige jaren, maar ook een tijd waarin de herwonnen vrijheid werd gevierd en de toekomst met optimisme tegemoet getreden. Weeda begon zijn stad te fotograferen toen de wederopbouw vrucht ging dragen. Die vruchten waren wrang, althans in Weeda's ogen.

Zoals Oorhuys de babyboomers terugvoert naar hun jeugd, zo doet Frits Weeda dat met de veertigers en begin vijftigers van nu. Teruggeworpen worden zij in hun jonge jaren waarin een bezoek aan Artis het hoogtepunt vormde in de reeks jaarlijkse lagereschoolreisjes waarbij ook de Julianatoren, het Evoluon, Muiderslot, Schiphol, de Verkeerstuin Assen of de Euromast werd bezocht. De jaren van schaarste waren voorbij, de woningproductie denderde onstuitbaar voort en de stad sloeg zijn vleugels uit over weilanden en omliggende dorpen - niet om ze te beschermen maar om ze met huid en haar te verslinden.

In de schaduw van de welvaart, Amsterdam 1958-1965 heet het onlangs verschenen boek van de in 1937 geboren Frits Weeda, en in die titel ligt al een reden besloten waarom hij tot nu toe bij het grote publiek minder bekend en geliefd is dan de grote namen van de wederopbouw: zijn werk is letterlijk en figuurlijk donkerder en schaduwrijk, minder doordesemd van levensvreugde en ongeremde dadendrang. De kinderen op zijn foto's zijn minder zorgeloos dan hun naoorlogse voorgangers oogden. De schaduwzijde van de wederopbouw vormde Weeda's onderwerp.

Al als twaalfjarige kwam Weeda in aanraking met de fotografie, toen hij voor het eerst het proces van ontwikkelen en afdrukken met eigen ogen zag in een donkere kamer. Sindsdien trok hij er veelvuldig op uit, gewapend met een camera, op de fiets door de polders rond Amsterdam of naar Artis, waar hij dagen doorbracht. Toen hij vijftien was, kreeg hij een baantje bij de bekende fotograaf Dirk de Herder, die een fotozaak dreef in Amstelveen. Daar bouwde Weeda de vakkennis op die hem in zijn latere carrière van pas zou komen.

Een opleiding grafiek aan de voorloper van de Rietveld Academie brak Weeda na twee jaar af, waarop hij allerlei baantjes had bij uitgeverij annex drukkerij Duwaer. Maar ook daar kon hij niet aarden. De fameuze, door de Amerikaan Edward Steichen samengestelde fototentoonstelling The Family of Man, in 1956 getoond in het Stedelijk Museum, vormde voor Weeda een belangrijke impuls zijn baantje op te zeggen en zijn heil in de fotografie te zoeken.

De werkloze Weeda, tot dan toe gesteund door zijn vader die bankmedewerker én amateurfotograaf was, werd uit huis gezet en trok in bij een kunstschilder die aan het Waterlooplein woonde. Hij assisteerde een jaar Dirk de Herder, die voor de VARA-gids portretten maakte. En daarna was hij zover om zich als zelfstandig fotograaf te vestigen. Hij trouwde, huurde een kamer in de buurt van het Waterlooplein en kocht een middenformaat camera, de fameuze Rolleiflex, op afbetaling.

Het waren de jaren waarin - teken van welvaart - de televisie de Nederlandse huiskamer bestormde en grote ontvangstantennes een uitdijend woud van metaal op het dak van de stad vormden. De kranten gingen de concurrentie aan met de tv en gaven daarom de fotografie de ruimte. Weeda profiteerde van de extra mogelijkheden die hij zo kreeg, bij Het Vrije Volk, Het Parool, De Tijd en Algemeen Handelsblad. Zijn stadsfoto's kregen de ruimte, maar zijn werkwijze was te tijdrovend en te weinig newsy, met als gevolg dat zijn inkomsten uit zijn reportages karig bleven.

Wars van haast en van commercie zijn Weeda's foto's. Ze zijn niet gemaakt om te behagen - daarvoor zijn de tekenen van bederf en verval te talrijk. Ze ontberen de lichtvoetigheid en kwinkslagen die bijvoorbeeld de Polygoon-journaals in de bioscoop kenmerkten en bevestigen eerder het beeld van grotestadsbewoners als enigszins eenzame individuen dan als burgers die gemeenschappelijk werkten aan de welvaart die binnen handbereik lag.

Neem bijvoorbeeld zijn overzichtsfoto van het Oosterpark in 1962. Het is een panoramabeeld, ingenieus in elkaar gezet door Weeda zelf. Hij 'laste' op ingenieuze wijze een aantal vierkante foto's die hij in een tijdsbestek van een paar seconden had genomen aan elkaar, nauwelijks zichtbaar in het boek, onzichtbaar in de kranten van zijn dagen. Het overzicht van het park op een vroege lentedag is vrolijk, maar ook onthutsend en zelfs enigszins beangstigend.

Rond de jonge en nog kale bomen, ongetwijfeld kort na de oorlog geplant, lopen tientallen moeders met wandelwagens en spelen honderden kinderen van alle leeftijden op de grasvelden, zó veel krioelen er dat je er benauwd van wordt. Het is het gezicht van de bevolkingsexplosie. Probeer je het babygekrijs voor te stellen dat opsteeg uit de overkapte kinderwagens, het rumoer van ballende en rennende kinderen, het corrigerende gesnauw van overspannen moeders met aan elke hand een kind. Wat voor de een klinkt als een paradijselijk, levenslustig rumoer, is voor de ander hels gekrijs. Het panorama voedt de gedachte aan het laatste.

De op een bank gezeten moeders, alsmede hun op het pad wandelende lotgenoten, zijn op de rug gefotografeerd. Niemand lacht. Nadere beschouwing leert dat de kinderen vrijwel niets hebben om zich mee te vermaken - geen autoped, geen fietsje, geen schepje of emmer. Eén jongetje wordt door zijn moeder letterlijk in toom gehouden door een koord dat is vastgeknoopt aan een tuigje om zijn romp - alsof het een nog af te richten hond betreft.

Aan het romantische Amsterdam had Weeda klaarblijkelijk een broertje dood. De Brouwersgracht fotografeerde hij in de winter, toen er op het ijs geschaatst had kunnen worden als er tenminste niet zo enorm veel vuilnis en grof afval was gedumpt. Het ijs ligt bezaaid met zakken, kratjes, puin, boomtakken en planken. Ter completering van het absurde beeld, dat vergelijkingen oproept met de open riolen in ontwikkelingslanden, staat er een jongetje op zijn hoofd op een afgedankte fauteuil.

De winter was het jaargetij waarin Weeda's contrastrijke zwartwitfotografie gedijt. Aan de Velserweg (1962) staat een dijkhuis, een skelet nog maar, van ramen, kozijnen en deuren ontdaan, rijp voor de sloop. Op de voorgrond een besneeuwde groententuin waar de stronken boerenkool donker omhoog steken. Met een beetje fantasie zie je in het ritmische patroon van de stronken schaatsers die wegrijden over een witte vlakte, of soldaten die het kapotgeschoten huis bestormen.

Gelegenheid tot sombere associaties biedt Weeda volop. Zonlicht daalt neer op de nevelige Grote Kattenburgerstraat (1962). Het valt over de silhouetten heen van een wandelaarster met muts en de fietser met pet en bagagetassen op straat. Een metershoge, lange muur flankeert de straat en wordt door de zon belicht, wat het deprimerende, benauwde gevoel versterkt dat de foto oproept.

In de Jordaan en rond het Waterlooplein vindt Weeda schoonheid in autowrakken, half verzonken in de gracht, kwijnend aan de stoeprand, beklommen door straatschoffies en tot op het naakte karkas geruïneerd door opgeschoten jongens met forse spierkracht. Er gaat, door de herhaling van dergelijke foto's, iets beschuldigends van uit, alsof de jonge generatie niets anders te doen heeft dan het verleden te slopen. Twee foto's besteedde Weeda zelfs aan jongetjes die met een vileine grijns een afgedankte, bij het buiten Frankendael gedumpte diligence aan hun vernielzucht onderwerpen.

Gaandeweg verplaatst Weeda's aandacht zich naar de randen van Amsterdam. Naar de landelijke woningen van de Buikslooterdijk, vanwaar in de verte de schoorstenen van een energiecentrale of vuilverbranding opdoemen. Naar de polders rond de stad, die met zand worden opgespoten ten behoeve van woningbouw. Naar Amstelveen, waar oude bomen zijn teruggebracht tot dode stompen, om plaats te maken voor fantasieloze torenflats.

Alles wat oud en elegant was en een verleden in zich droeg, moest plaatsmaken voor zakelijk, rechttoe-rechtaan, efficiëntie en grootschaligheid. Dat is de boodschap die in Weeda's werk doorklinkt. Duistere, gitzwarte wolken stijgen op van de Diemerzeedijk, waar chemisch afval wordt verbrand. Grote, gore varkens wroeten tussen de bergen afval in de Volgermeerpolder, net als de Diemerzeedijk een plek die later en tot in een verre toekomst met hekken moest worden afgeschermd wegens de ongekende bodemvervuiling.

Hoe verder je vordert in In de schaduw van de welvaart, hoe meer het gevoel van doem gaat overheersen. Een omgevallen grensbord van Amsterdam tegen de achtergrond van kaalslag, krottige pakhuizen voor lompen en metalen in de verlaten Lange Houtstraat, met een onheilspellende Willink-achtige wolkenlucht.

De sombere toekomstvisie van Weeda was in elk geval op hemzelf van toepassing. Juist toen hij internationaal faam begon te verwerven, moest hij worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. De medicijnen die hij daar kreeg dempten zijn emoties en vlakten zijn fotografische talent af. Na zijn ontslag uit de inrichting zwierf hij door Duitsland en door Nederland, om zich in 1985 te vestigen in Friesland en de camera opnieuw ter hand te nemen.

Zo valt Weeda na decennia en vele tegenslagen in elk geval het geluk ten deel bij leven een eerbetoon te krijgen met een boek dat de eigenzinnige kwaliteit van zijn fotografie recht doet.

Meer over