Schoonheid als verzetsdaad

Nancy was rond de eeuwwisseling het hart van de Franse 'art nouveau', de nieuwe kunst. De burgerij verweerde zich tegen de lelijkheid van de industriële samenleving met tierlantijnen....

WAAR ZAG je nog aan het eind van de negentiende eeuw glans, wierook en parelmoer, of een beekje waarin nog waterkers trilde? Franse bourgeois schransten, net als picknickers, uit een smoezelig boterhampapiertje op hun knieen, 'bevuild door abominabel flauwe moppen en aanstootgevende schuine scherts'. Alles was smerig, moe en uitgeput. 'Sterf, oude wereld', verzuchtte het hoofdpersonage Des Esseintes in Tegen de keer van Joris-Karl Huysmans, het beroemde brevier 'vol vergif' van de symbolisten en de decadenten.

Huysmans droomde van een oase van verfijning, een toevluchtsoord, 'waar men zich kon onttrekken aan de onophoudelijke stortvloed van menselijke dwaasheid'. Hij verafschuwde de moderne lelijkheid, het uitgebluste en verdorde water, stinkende en groezelige beken zoals de Parijse Bièvre, een riool 'bedorven door de moderne industrie'. De eeuw lag op sterven; het stonk overal.

Zijn held, de estheet en excentriekeling Des Esseintes, verlangde naar een nieuwe en fraaier wereld, vol ornamentiek en welriekende bloesems, en zocht die in zijn gerieflijke kluizenaarswoning, 'een knusse, behaaglijk warme, roerloze ark', waarin hij een wijkplaats zou kunnen vinden. Hij had alleen nog achting voor mensen die gevoelige, door literatuur en kunst geoefende pupillen hadden, die werden gestreeld door blauw en aanverwante tinten, zoals het zachte mauve, lila en parelgrijs.

Het Franse Nancy, kroonstad van Lotharingen, etaleert dit jaar in meer dan tien exposities zulke 'droominterieurs' van estheten en kunstenaars die ver van het verderf hun schuiloord hadden gevonden. Nancy was rond de eeuwwisseling het hart van de Franse art nouveau, 'de nieuwe kunst'. De rijke burgers omringden zich met curieuze voorwerpen: om elke stoelpoot slingerde een plantenstengel, elke vaas was een bloemkelk, libelles ondersteunden het tafelblad.

Nancy, schreef de criticus Henri Frantz in 1903, is 'een stad die in haar schoonheid doet denken aan Athene'. De gevels van woonhuizen en kantoren, met hun tierlantijnen en opmerkelijke franjes, de glasramen en de koepels, de sierlijke tuinen en het onlangs gerestaureerde theater Poirel weerspiegelen nog steeds die door Huysmans verwoorde hunkering naar schoonheid. In de Brasserie Excelsior aan de Rue Henri Poincaré, met zijn schitterende interieur van Louis Majorelle, is elk detail een artisanaal pronkstuk.

Tientallen gebouwen herinneren nog aan die vervlogen tijd van de art nouveau: de grote en moderne magasins, ingenieuze constructies van glas en staal, de cafés en de restaurants op de Place Stanislas, het rococo-plein dat getuigt van de grootsheid en gratie van Nancy, de opsmuk van de herenhuizen en de soms ietwat protserige villa's.

De beroemde glasmanufactuur van de gebroeders Jean-Louis en Jean-Antonin Daum in de Rue de Cristallerie is nog steeds in bedrijf. Nancy is bekend om glas, meubelkunst en keramiek. In de fabrieken werkten de arbeiders samen met de kunstenaars; daardoor kregen de meubels en het glaswerk een uiterst geraffineerd karakter.

Na de oorlog van 1870 was Nancy een 'geamputeerde' grensstad. Frankrijk had de Elzas en delen van Lotharingen, duizend jaar machtig en ongedeeld, aan Duitsland moeten afstaan. Rijke burgers en kunstenaars, die niet in het vijandige en 'boertige' Reich wilden wonen, verhuisden naar Nancy, dat door die aanwezigheid van mecenassen 'het uitstalraam van Frankrijk' werd, de biotoop bij uitstek voor de nieuwe kunstzinnigheid. Hun woonhuizen, vol bibelots en snuisterijen, waren de nieuwe 'artificiële paradijzen', kleine musea in een soort garnizoenstad.

De bloem op het stadswapen is de distel, een gebalde vuist tegen de Duitsers, een op gevels, muren en smeedijzeren ornamenten veel gebruikt siermotief. 'Qui s'y fronte, s'y pique', luidt het op vazen en smeedwerk veel geciteerde parool van Nancy, 'wie zich ermee inlaat, prikt zich eraan'. De schoonheid als verzetsdaad.

Nancy herdenkt de glorietijd van de Ecole de Nancy, de beroemde school van de Franse art nouveau. Tussen 1889 en 1909 was het een stad van gedreven 'artisans'. Wie door de straten van Nancy loopt, waant zich in een openluchtmuseum: sprookjesachtige villa's met hoefijzervormige ramen, elegante smeedijzeren balkons en ballustrades, geglazuurde tegels, oogverblindende interieurs met sierlijke glas-in-loodramen, en overal die distel, het symbool van het trotse Nancy.

De stad nodigt uit tot het maken van een 'grand tour' langs de meest opvallende architecturen: de lichttoren van de krant L'Est républicain, nabij het station; de kamer van koophandel met zijn frivole glas-in-loodramen van Jacques Gruber; de magasins Vaxelaire et Pignot, nu een hamburgerrestaurant maar vroeger 'le chic à Nancy', of de vroegere Magasins Réunis, nu Le Printemps aan de Avenue Foch. De buitenkant is maar een omhulsel. Nancy was geen stad, zoals Parijs, met brede boulevards voor de grande parade van de negentiende-eeuwse flaneurs. De architectuur is een deel van het Gesamtkunstwerk - het is 'een ui' die je moet pellen, van de vestibule tot het boudoir. Nancy is geen stadsdecor in bordkarton, mooi van buiten, morsig binnenin, maar een stad van interieurs.

Om op te tornen tegen de lelijkheid van de industriële samenleving, aldus het artistieke credo van de burgerij van Nancy, moest je het leven verfraaien met aan de natuur ontleende motieven. Emile Gallé, maître en stichter van de Ecole de Nancy, hield hartstochtelijke redevoeringen over plezier, kunst en schoonheid. De verfijnde luxe van kleurrijk glaswerk, van rijk geornamenteerde meubelstukken of van een stangenvaas in de vorm van een courgette, was 'opwindender en emotioneel ontroerender' dan gebruiksvoorwerpen die 'met het fototoestel of een koud operatiemes' in een fabriek waren gemaakt.

Op het portret dat Victor Prouvé van hem maakte, het pronkstuk op Peinture et Art nouveau in het gerenoveerde Musée des Beaux-Arts van Nancy, is de estheet en geniale glaskunstenaar Gallé afgebeeld tussen bloemen en vazen. De symboliek in het werk van een decorateur, op de vazen of de meubelstukken, groeit 'uit het samengaan van natuurstudie, liefde voor de kunst en de behoefte om zijn gevoelens te uiten'. Gallé, zoon van een spiegelglasproducent, trok met een botaniseertrommeltje naar de botanische tuinen van Nancy of Londen en bestudeerde de stengels, de bladvormen en de kleuren van de bloemen. Het waren zijn siermotieven. Hij tekende ook kwallen en andere zeedieren, de verzamelingen van oceanografen waren voor hem 'ateliers van toegepaste kunst, musea van modellen'. Het kristalachtige en grillige van een zeekwal, meende Gallé, is een architectuur 'met ongekende nuances en rondingen'.

Het prachtige woonhuis en de botanische tuin van Nancy's belangrijkste mecenas Eugène Corbin, eigenaar van de Grands Magasins réunis, zijn nu het museum van de art nouveau. In de tuin staat het 'aquarium-belvédère', een voor deze expositie geheel gerestaureerd paleisje, met bloemmotieven versierd, en vroeger een soort rariteitenkabinet waarin kunstenaars 'de taal van de natuur' konden bestuderen. Je kon er de merkwaardigste vissen gaan zien, de onderwaterwereld verkennen, en er genieten van de schoonheid van planten, bomen en bloemen.

In Tegen de keer, de bijbel van de Ecole, schrijft Huysmans over nieuwe soorten orchideeën, 'die een bleke huid hadden, doortrokken met rode aders'. Ze waren aangevreten door melaatsheid, met vlekken en schilfers, een verhaal over ondergang en verderf. Voor Gallé was elke bloem zo'n verhaal, een symbool, een karakter, een eigenschap: nachtschadeachtigen verwijzen naar zwaarmoedigheid, calla en irissen naar het eeuwig vrouwelijke, de lelie is het symbool van de reinheid.

Overal zie je bloemen, op de gevels, op het smeedijzer, op de meubels, op de vazen, op het glas, op de lijsten van de schilderijen. Bloemen zijn het vormvocabulaire voor de kunstenaars van de Ecole de Nancy. De bloem was niet enkel symbool van verdorvenheid of dwaling, zoals in de gedichten van Charles Baudelaire, maar zette ook aan tot zinnelijke en intellectuele beschouwingen, tot verfijning van de geest. Gallé was een lyricus in glas. Hij ontwierp, met vluchtige schetsen en summiere aanwijzingen voor zijn artisans, 'sprekende glazen' die - in zijn woorden - 'uitnodigen tot meditatie en overpeinzingen'.

ZIJN VAZEN maken deel uit van een groter geheel, het interieur, het beschermende foedraal van de estheet. In de Salle Poirel, theater en tegelijkertijd de expositieruimte van de vroegere art nouveau-school, en in het Musée de l'Ecole de Nancy, zijn zulke interieurs gereconstrueerd: er staan ledikanten met nachtvlindervleugels, rijkelijk met koper beslagen theetafels en schrijfbureaus, deuren en kamerschermen, manshoge lampen en luchters. Elk voorwerp spreekt; het zijn geen bescheiden rekwisieten in een burgermansinterieur maar opzichtige kunstvoorwerpen, waarop vaak verzen of overpeinzingen staan gegraveerd. Travail et Joie, staat er op een tafel te lezen. Zelfs de meubels waren meubles parlants; elk voorwerp had een boodschap.

Het ornament, dat door de art nouveau tot het uiterste werd uitgebuit, riep op den duur ook weerstand op. Aan het eind van de Belle Epoque keerden steeds meer kunstenaars zich tegen overdaad en opsmuk. Er brak weer een tijd van versobering aan. 'De cultuur ontwikkelt zich in een richting', zei de Wiener Adolf Loos, 'die elke versiering van het dagelijkse voorwerp onmogelijk maakt.'

De schoonheid, die in Nancy een echte cultus was geworden, verwelkte. De industrie, die zich na de Eerste Wereldoorlog herstelde, wilde vooral consumptiegoederen: eenvoudige en geometrische figuren, strenge zakelijkheid. De nieuwe stijl verwierp de golvende en kwijnende lijn. De negentiende eeuw werd, na het verschrikkelijke abattoir op het slagveld, definitief ten grave gedragen. Voorbij etiquette, weg met de lintwormen en de palingen, voorbij de 'krullemiestijl'.

Meer over