ColumnHerien Wensink

Schaamte voelen kan ons verder brengen

null Beeld
Beeld

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

Soms kan een minder geslaagde voorstelling toch tot een belangrijk inzicht leiden. In Hollandsch Glorie van Toneelgroep Oostpool in het Amsterdamse Bos wordt in een weinig verfijnde scène het element ‘schaamte’ in het identiteitsdebat behandeld. De aanpak is absurdistisch: witte Nederlanders mogen zich in een speciaal park komen schamen over misstanden in het verleden: de slavernij, het massaal wegkijken tijdens de Holocaust, het vereren van dubieuze helden als Jan Pieterszoon Coen en Erik Hazelhoff Roelfzema. Die uitwerking is wat cru, maar de onderliggende gedachte is wél interessant: namelijk dat schaamte voelen ons verder brengt, en cruciaal is voor verandering.

In het oververhitte identiteitsdebat lijkt precies die schaamte vaak een obstakel. Het is een onaangenaam gevoel: schaamte dat je het niet goed zag, dat je in iets verkeerds hebt geloofd, ja, daar zelfs enthousiast over was. Schaamte dat je onbedoeld en onwetend iets hebt gedaan waar anderen aanstoot aan nemen. En de schrik over die schaamte, plus de impuls om die het liefste meteen diep weg te stoppen, verklaart voor een deel de hardnekkige weerstand in het debat.

Maar bij voortschrijdend inzicht hoort terugblikken, en constateren: dat deed of vond ik toen, en, shit, daar schaam ik me nu voor. Een beetje oefenen met schaamte, zoals in bovengenoemd ‘Schaampark’ kan dus geen kwaad.

Met betrekking tot de kunstkritiek en canonvorming is er achteraf ook wel het een en ander om ons voor te schamen. Hoe vrouwelijke kunstenaars en niet-westerse kunstvormen decennia-, wat zeg ik: eeuwenlang zijn genegeerd. Hoe westerse ­esthetische opvattingen golden als universeel en alles wat daarbuiten viel werd afgedaan als oninteressant, niet-kwalitatief of überhaupt geen kunst: hobbyisme, folklore. De interessantste uit­daging voor de kunstkritiek anno nu is het onderzoeken en herijken van onze kwaliteitscriteria. Ja, we hebben ze nodig om kunst te beoordelen. Maar waardoor zijn ze gevormd, hoe zijn ze gevoed en hoe dominant daarin zijn eurocentrisme en de ‘white (male) gaze’?

Wie streeft naar een inclusievere kunstpraktijk, en dus –kritiek, moet zichzelf en de ander op die punten kritisch bevragen. En ja, daar komt soms schaamte bij.

Zelf schaam ik me voor een recensie – ik zeg er als laffe verdediging bij dat die tien jaar oud is – waarin ik over een Iraanse acteur opmerk dat ‘zijn speelstijl niet binnen de westerse traditie past’.

Het zit hem in kleine, ogenschijnlijk onschuldige maar pijnlijke dingen. Hoe vaak laat je in een recensie een acteur van kleur als een gekooide panter rondlopen, noem je hem lenig, krachtig of muzikaal, terwijl je van zijn witte collega zijn tekstbehandeling of intelligentie prijst? (Collega’s van de sport, ook even opletten nu.)

Over een actrice van kleur merkte ik eens op dat ik haar speelstijl te ‘boos’ vond. Terwijl ze, denk ik nu, gewoon scherp, goedgebekt en assertief was. Sinds dit onrecht Sylvana Simons dagelijks wordt aangedaan, besef ik dat beter. En schaam ik me ervoor. Dat zouden we allemaal af en toe eens moeten doen. Want als je een beetje oefent, valt het uiteindelijk best mee.

Meer over