postuumjean-claude carrière

Scenarioschrijver Jean-Claude Carrière (1931-2021) was de meester van de boekverfilmingen

Volgens de maandag overleden scenarist Jean-Claude Carrière (The Unbearable Lightness of Being, Die Blechtrommel) was zijn eigen taak bij het maken van een film altijd ondergeschikt aan het teamwork. Toch zou hij ook zelf wereldberoemd worden.

Overleden Franse scenarist Jean-Claude Carrière in zijn tuin in Parijs. Beeld Hollandse Hoogte / AFP
Overleden Franse scenarist Jean-Claude Carrière in zijn tuin in Parijs.Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Het script is een rups, de film een vlinder. De afgelopen maandag overleden scenarist Jean-Claude Carrière had fraaie vergelijkingen paraat om de noodzakelijke dienstbaarheid van zijn vak te benadrukken.

Het moet volgens Carrière nooit om het ego van de scenarist of dat van de regisseur gaan, altijd om een derde persoon. ‘En dat is de film.’ Wie een roman naar scenario vertaalt, hoort dat niet te doen om zijn eigen persoonlijke visie op de voorgrond te plaatsen, vond Carrière. ‘Bewerkers die het origineel gebruiken als trampoline om zichzelf af te zetten vind ik vreselijk’, zei hij in 1998 tegen dagblad Trouw. ‘Scenaristen zijn schaduwen die door de geschiedenis van de cinema trekken’, waren enkele van de woorden waarmee hij in 2014 een ere-Oscar voor zijn gehele oeuvre in ontvangst nam.

Carrière, die volgens zijn familie geen gezondheidsklachten had en op 89-jarige leeftijd stierf in zijn slaap, in zijn huis in Parijs, was de uitzondering die de regel bevestigde: een scenarist met wereldfaam. Vooral in de Europese cinema van de jaren zeventig en tachtig gold hij als een sleutelfiguur. Jean-Luc Godard, Louis Malle, Milos Forman, Andrzej Wajda, Carlos Saura: allen vertrouwden een of meerdere keren op Carrières scenariokunst. Bij films als Die Blechtrommel (Volker Schlöndorff, 1979) en The Unbearable Lightness of Being (Philip Kaufman, 1988) werd hij in één adem genoemd met de regisseur. En dat zonder dat die positie hem minder bescheiden maakte. ‘Mijn taak is dat ik de regisseur help begrijpen waarom hij deze ene film verkoos te maken’, zei Carrière in 2012 tegen het Britse dagblad The Guardian. ‘Soms weet hij dat niet.’

In totaal schreef Carrière het scenario voor zo’n honderdvijftig speelfilms, televisieproducties en series, en dan vaak met de regisseur als coscenarist. Creatief teamwork, daar draaide alles om bij Carrière. Om een gelijkwaardige, respectvolle verhouding, waarbij beide partijen elkaar verder helpen en goed naar elkaar luisteren. In zijn Oscarspeech bedankte hij alle regisseurs met wie hij had samengewerkt. ‘Elk van hen heeft mij wel iets geleerd, en ze zijn altijd aanwezig, zelfs vandaag, op dit moment.’

Carrière werd in 1931 geboren in het Zuid-Franse dorpje Colombières-sur-Orb. Hij genoot een opleiding als historicus, maar al snel kreeg het schrijven hem te pakken. Op zijn 26ste had hij al een roman op zijn naam staan (Lézard, 1957), en zodoende kwam hij onder de aandacht van komiek Jacques Tati. Toen deze hem inhuurde om zijn films Les vacances de Monsieur Hulot (1953) en Mon oncle (1958) tot romans te bewerken, betekende dit Carrières entree tot de filmwereld.

Britse regisseur Peter Brook bespreekt het schrift van het toneelstuk Mahabharata met Franse scenarist Jean-Claude Carrière. Beeld Sygma via Getty Images
Britse regisseur Peter Brook bespreekt het schrift van het toneelstuk Mahabharata met Franse scenarist Jean-Claude Carrière.Beeld Sygma via Getty Images

Via Tati leerde Carrière diens assistent Pierre Étaix kennen, zelf een komiek van formaat, die voor Tati veel gags bedacht. Samen met Étaix maakte Carrière meerdere films, waaronder het met een Oscar bekroonde, gemoedelijk absurdistische Heureux anniversaire (1962), over een man die constant wordt verhinderd tijdig op zijn trouwjubileum te arriveren. Carrière en Étaix bleven nog jaren samenwerken, de eerste van de langdurige collaboraties die Carrière met filmmakers zou aangaan.

Terwijl hij met Étaix begon als coregisseur, wist Carrière al snel dat hij zich in het vervolg tot het scenario van films wilde beperken. Hij wilde boeken kunnen blijven schrijven, gedichten, essays en toneelstukken. Die vrijheid ervoer hij als scenarist, terwijl een regisseur bij zulke zijsprongen volgens hem al snel niet meer serieus werd genomen. ‘Zodra je als filmregisseur succes hebt, kun je niets anders meer doen’, zei hij in 1999 in een interview. ‘Je bent dan een soort gevangene in een – hopelijk – gouden kooi.’

In 1963 leerde Carrière de 31 jaar oudere Luis Buñuel kennen, tijdens een lunch op het Filmfestival van Cannes. Carrière hield als student al erg van het werk van de Spaanse oppersurrealist en het klikte meteen tussen de twee, al was het maar omdat beiden van een goed glas wijn hielden. De lunch in Cannes betekende het vertrekpunt voor de belangrijkste samenwerking uit Carrières loopbaan: beginnend met Le journal d’une femme de chambre (1964) werkten hij en Buñuel liefst zes keer samen, waarbij de laatste steeds als coscenarist optrad. Le charme discret de la bourgeoisie (1972) en Cet obscur objet du desir (1977) leverden Oscarnominaties op, terwijl Belle de jour (1967), met Catherine Deneuve als dromerige gelegenheidsprostituee, hun populairste film blijft.

Iedereen die Belle de jour ziet, wil weten wat er in het vreemde, zoemende doosje zit, dat Séverine (Deneuve) door een van haar klanten krijgt voorgeschoteld. Carrière werd er vaak naar gevraagd. En net als Buñuel kon of wilde hij het niet verklappen.

Als ze gingen samenwerken, trokken Buñuel en Carrière zich terug op een afgelegen plek, ver weg van alles en iedereen. Tijdens die schrijf-praat-drink-en-eetmarathons (‘Ik moet zeker tweeduizend keer met Buñuel hebben gegeten’, zei Carrière ooit) ontstonden enkele van de meest bizarre, brutale scripts uit de filmgeschiedenis. Zo zoekt in een scène uit Le Fantôme de la liberté (1974) iedereen naar een vermist meisje, terwijl ze er gewoon zelf bij staat maar door haar ouders, haar lerares en de politie wordt genegeerd. Carrière, tegen The Guardian: ‘Je schrijf iets, je geeft het aan de toeschouwers en je weet nooit wat die ermee gaan doen. Zelfs wij wisten niet precies wat we hadden gedaan.’

Carrière, die ook als schaduwschrijver optrad voor Buñuels autobiografie Mijn laatste snik (1982), zou tot aan zijn dood worden uitgehoord over zijn bijzondere band met Buñuel. Graag vertelde hij hoe hij aanvankelijk bleef steken in kritiekloze bewondering voor de meester, terwijl die bij het bedenken van de films juist een weerwoord nodig had of door Carrière op het juiste pad moest worden gehouden. Carrière, in 2012 tegen The Guardian: ‘Soms moest ik Buñuel helpen Buñuel te zijn.’

Wel meer regisseurs zochten aansluiting bij de surrealistische onderstroom in Carrières geest. Nagisa Oshima bijvoorbeeld, met zijn Max mon amour (1986) over een romance tussen vrouw en een chimpansee, en Jonathan Glazer, met zijn onder de huid kruipende reïncarnatiedrama Birth (2004). Andere cineasten vonden bij Carrière juist een scherpe blik op de menselijke psyche of op hun eigen script. Michael Haneke kwam bij Carrière om advies vragen: wat kon er worden verbeterd aan het scenario voor Das weisse Band (2009)? Op aanraden van Carrière haalde Haneke allerlei details weg, zodat zijn film, rond mysterieuze geweldsvoorvallen in een Duits dorp in 1914, dubbelzinniger werd.

De kunst van het weglaten bedreef Carrière ook als het ging om het bewerken van onverfilmbaar geachte boeken. Zo snoeide hij met regisseur en coscenarist Philip Kaufman rigoureus de alwetende vertelstem weg uit Milan Kundera’s Ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Carrière en Kaufman gaven in 1988 hun eigen draai aan de driehoeksverhouding tussen de Tsjechische arts Tomás, geliefde Tereza en minnares Sabina: de filosofie van het boek werd ingebed in het drama van de film, vertelde Kaufman in 2012 aan The Hollywood Reporter. ‘Totdat ik Jean-Claude ontmoette, dacht ik eveneens dat het boek niet te verfilmen viel.’

Jean-Claude Carrière in het programma Cinema without star. Beeld INA via Getty Images
Jean-Claude Carrière in het programma Cinema without star.Beeld INA via Getty Images

Als aanvulling op de woorden voorzag Carrière zijn scripts graag van behulpzame tekeningen. Toen hij Günter Grass’ magisch-realistische Tweede Wereldoorlogroman Die Blechtrommel (1959) bewerkte, was een nauwkeurig geïllustreerd scenario het eindresultaat. ‘Die Blechtrommel is volkomen trouw aan mijn tekeningen’, zei Carrière in 1983 tegen filmblad Cinéaste. ‘Van het ontwerp en het decor tot de personages en de kostuums.’

Carrière zette ook zijn tanden in de Mahabharata, het filosofische Indiase epos (eerst met Peter Brook bewerkt tot theaterstuk, daarna tot miniserie) en het eerste deel van Prousts romancyclus Op zoek naar de verloren tijd (Un amour de Swann uit 1984, van Volker Schlöndorff). Of het nu om een boekbewerking ging of om een oorspronkelijk gegeven, een filmscenario ontstond volgens Carrière altijd uit de spanning tussen vrij stromende ideeën en de dramatische structuur. ‘Maar ik ben geen theoreticus. Wat ik nu tegen je zeg, daar praat ik normaal nooit over’, aldus Carrière in Cinéaste.

Carrière, die sporadisch ook acteerde en naast het filmwerk talrijke romans en toneelstukken publiceerde, bleef tot aan zijn dood doorwerken. Zijn vooralsnog laatste film is Philippe Garrels Le sel des larmes (2020). Er moeten nog drie films verschijnen waarvoor Carrière het scenario heeft geschreven.

In de nadagen van zijn leven kon Carrière zich grote zorgen maken over het verdwijnen van de bioscopen en over de ‘netflixisering’ van de cinema. Niettemin bekende hij in een interview uit 2019 dat hij graag naar de hitserie La casa de papel keek. ‘Maar dat doe ik natuurlijk ook uit professionele interesse.’

Jean-Claude Carrière ontvangt een ere-onderscheiding tijdens de uitreikingen van de Oscars. Beeld Getty Images
Jean-Claude Carrière ontvangt een ere-onderscheiding tijdens de uitreikingen van de Oscars.Beeld Getty Images

Een Oscar, wat is dat?

Toen Jean-Claude Carrière in 1963 samen met Pierre Étaix zijn eerste Oscar won, voor hun korte film Heureux anniversaire (1962), had hij naar eigen zeggen nog nooit van die filmprijs gehoord. Carrière, in een gesprek met interviewmagazine.com: ‘Ik kwam op het kantoor van mijn producent en hij zat te springen van plezier. We hebben de Oscar! We hebben de Oscar!’ ‘Maar wat is dat dan?’, vroeg ik. Ik had geen idee.’

Meer over