boekrecensie

Sander Kollaard rekt de romanvorm op ★★★☆☆

In De kleuren van Anna zoekt Sander Kollaard de grenzen op van vertelvormen en genres, feit en fictie. Een dapper en interessant, maar niet helemaal geslaagd literair experiment.

Casper Luckerhof
Sander Kollaard Beeld Hilde Harshagen
Sander KollaardBeeld Hilde Harshagen

Twee verhalenbundels, twee romans. Dat kan genoeg zijn om als schrijver een volstrekt eigenzinnige positie in te nemen in de Nederlandse literatuur. Althans, dat heeft Sander Kollaard bewezen. Voor zijn eerste verhalenbundel, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012), kreeg hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs. Zijn debuutroman Stadium IV (2015) werd in DWDD verkozen tot boek van de maand. Als klap op de vuurpijl won hij met Uit het leven van een hond (2019) de Libris Literatuurprijs.

Wat maakt Kollaard zo goed? Misschien is het zijn vermogen om de lezer op nuchtere toon gerust te stellen. Zijn personages leiden doorgaans geen bijster succesvol bestaan, ze beleven vrijwel niets, en toch is hun leven nooit saai. Ze vinden schoonheid in de observaties van kleine dingen, in verhalen, in kunst. Kollaard lezen is een beetje alsof een vriend tegen je zegt: het komt allemaal best goed, als je het gewoon net even anders bekijkt.

Een belangrijk thema bij Kollaard is de vervagende grens tussen feit en fictie. De werkelijkheid lijkt voor hem ondergeschikt aan de verbeelding, omdat het uiteindelijk de verhalen zijn die mensen bijblijven. Zijn tweede verhalenbundel, Levensberichten (2019), was in feite een studie naar wat literatuur vermag. ‘Laat ik eerst de feiten geven’, begint een ijzersterk verhaal in dat boek, waarin een schrijver in de voetsporen van een fictieve auteur naar Estland reist.

Tussen feit en fictie

Kollaard zoekt in zijn nieuwe (en vijfde) boek, De kleuren van Anna, dat grensgebied tussen feit en fictie verder op. Niet alleen wat betreft inhoud, maar ook qua vorm: het boek is een opmerkelijke mengvorm tussen essay en roman, waarin het vaak niet meer geheel duidelijk is waar de werkelijkheid stopt en de verbeelding begint.

Vooruit, laten we beginnen bij het begin. In De kleuren van Anna onderzoekt Kollaard in de eerste plaats het fenomeen ‘kleur’. Het boek heeft vier hoofdstukken: rood, geel, blauw en groen. Elk hoofdstuk bevat associaties die de auteur bij de betreffende kleur heeft.

Dat klinkt een beetje droog, en dat is het eigenlijk ook. ‘Bloed is rood’, luidt de openingszin van het hoofdstuk over rood (dat uitgeverij Van Oorschot vorig jaar publiceerde ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag, en waarover de Volkskrant Kollaard toen interviewde). Even later: ‘Rood betekent gevaar.’ En: ‘Onze woede is rood.’ Maar ook: ‘Karnemelkflessen, vroeger, hadden een rode aluminiumdop, die je voorzichtig naar beneden moest drukken zodat hij loskwam’, waarna de verteller – een schrijver die net als Kollaard in Zweden woont – een jeugdherinnering ophaalt over hoe melkboer Piet vroeger langskwam.

Tussen de associaties door lezen we hoe de verteller een vriendschap ontwikkelt met de oudere vrouw Anna. ‘Ze had een hond, net als ik, en we raakten aan de praat in het dorp.’ Aanvankelijk hebben de twee het over ‘ditjes en datjes’, vervolgens over kunst, filosofie, natuur en literatuur. De vrouw blijkt te bruisen van levensenergie en is in veel opzichten de tegenpool van de verteller. Ze is empathisch, daadkrachtig.

Anna lijkt feit en fictie zelf maar moeilijk te kunnen onderscheiden: ze is er heilig van overtuigd dat zij ooit een paar uur heeft gevochten met een engel. Ook haalt ze de werkelijkheid en de verhalen uit gelezen romans geregeld door elkaar. Op deze manier belichaamt ze expliciet de vervaging tussen feit en fictie waar Kollaard zo naar op zoek is. Ze voelt daardoor te veel als abstract concept. Als romanfiguur komt ze niet echt tot leven.

Uitweidingen

Bovendien wordt Anna’s verhaallijn hinderlijk vaak onderbroken door Kollaards essayistische uitweidingen, die gaandeweg steeds meer de vorm aannemen van een litanie over de kracht van de verbeelding. Soms wordt het ronduit pathetisch, bijvoorbeeld als Kollaard schrijft over de eigen beroepsgroep: ‘Schrijvers zijn niet uit op macht. Macht is ze wezensvreemd omdat het idee van één enkel verhaal ze wezensvreemd is. Wat schrijvers betreft is de wereld een nevel van verhalen, hoe meer hoe beter, een labyrint van verbeelding om eindeloos in te dwalen.’

Kollaard is op zijn best als hij zijn kalme, observerende toon hanteert. Zie bijvoorbeeld hoe hij in een enkele zin, waarin de verteller reflecteert op zijn eigen leven, zonder sentiment een wereld aan gevoelens weet neer te zetten: ‘Aanvankelijk liet ik me meeslepen door die gewaarwording en bleef ik liggen, wachtend op de nieuwe dag, maar gaandeweg voelde ik verzet tegen dat wachten, tegen mijn passiviteit, die mij niet alleen steeds meer voorkwam als een vorm van lafheid, een fantasieloze overgave aan een onverschillig lot, maar ook als een verraad aan de drift die Anna in zulke overvloed had.’

Een ongrijpbare vorm hoeft geen probleem te zijn voor een roman. Integendeel, dat kan prachtige literatuur opleveren: Moby Dick van Melville, De rustelozen van Olga Tokarczuk, Wit van Han Kang. De kleuren van Anna is een dapper en interessant literair experiment, maar overtuigt te weinig als geheel, en doet verlangen naar het nuchtere proza uit zijn vorige werk.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot

Sander Kollaard: De kleuren van Anna. Van Oorschot; 192 pagina’s; € 22,50.

Meer over