BeschouwingFernando Pessoa

Sander Kollaard leest Pessoa’s proza: ‘Je zou willen dat hij nog leefde en Twitter bestookte met zijn radicale twijfel’

Dit weekend verschijnt Kroniek van een leven dat voorbijgaat, een bundel niet eerder vertaalde, intieme teksten van Fernando Pessoa. Volgens Librisprijswinnaar Sander Kollaard – een groot bewonderaar van de Portugese dichter, die in zijn werk geregeld opduikt – laat de kroniek zien dat Pessoa’s proza minstens zo rijk is als zijn poëzie.

Beeld Avalon Nuovo

Pessoa zag het leven aan zich voorbijgaan. Hij beschrijft zichzelf als toerist, vreemdeling en toeschouwer. Een deelnemer was hij nooit, niet uit keuze, maar omdat hij nu eenmaal zo in elkaar stak. Hij schrijft over ‘de eenzaamheid die ik altijd bij me draag en die mij daarom definieert’. Tussen hem en anderen gaapte een afgrond. Zelfs zichzelf was hij vreemd. Als hij iets terugleest wat hij lang geleden schreef, lijken die teksten ‘te zijn geschreven door een vreemde’. Nadenkend over dat verschijnsel raakt hij ‘verward in een labyrint in mijzelf waarin ik mijzelf uit het oog verlies’. Die vervreemding leidde geregeld tot wanhoop. ‘De man die ik nooit ben geweest is dood.’

Na zo’n zinnetje zit je als lezer een tijdje in gedachten verzonken. Omdat het wemelt van dit soort zinnetjes, verzonk ik vaak in gemijmer. Dat zou Pessoa vast deugd hebben gedaan: hij joeg het denken graag aan.

Fernando Pessoa (1888-1935) beschrijft zichzelf als ‘een dichter begeesterd door de filosofie’. Zijn filosofie was nooit systematisch, maar twijfel is er een vast bestanddeel van. In veel opzichten was dat getwijfel een karaktertrek, iets wat hij nu eenmaal deed, maar vaak maakt hij er een zelfbewust statement van. ‘Ik heb nooit opvattingen gehad over welk onderwerp dan ook zonder weldra op zoek te gaan naar andere opvattingen.’ Zo ging het wel vaker bij Pessoa: hij maakte van de psychische nood een literaire deugd.

Dat geldt ook voor de beroemde heteroniemen: de personages die hij bedacht en een eigen biografie en soms zelfs een eigen oeuvre gaf. ‘Ik heb van kleins af aan de behoefte gehad mijn wereld te verrijken met fictieve persoonlijkheden’, schrijft hij. Eenmaal in de greep van zijn volwassen verbeelding putte hij uit die behoefte een nog altijd obsederend oeuvre. Ik ken geen andere schrijver die de identiteit zo grondig heeft ontmanteld als Pessoa. ‘Mijn God, mijn God, naar wie kijk ik? Hoevelen ben ik? Wie is ik?’ Uiteindelijk leidden die vragen tot onvergetelijke dichtregels. In ons leven tallozen./ Ik weet niet, als ik denk/ of voel, wie denkt of voelt./ Ik ben de plek slechts waar/ gevoeld wordt of gedacht. Op die plek kregen zijn literaire verzinsels alle ruimte, maar de grens tussen psyche en literatuur blijft vaag. De enige vrouw met wie Pessoa een (kuise) relatie heeft gehad, Ofélia Queiroz, wist niet altijd of ze met Pessoa of met een van zijn heteroniemen te maken had.

Behalve met zijn heteroniemen verkeerde Pessoa met de geesten die hij tot spreken bracht via de toen populaire techniek van de écriture automatique. Opvallend genoeg veegden ze hem nogal eens de mantel uit, zoals een zekere Margaret Mansel. ‘Jij onanist! Trouw met me! Geen gemasturbeer meer!’ De aanmaning hielp niet: Pessoa hield niet van vrouwen. De borsten, dat ging nog wel, ‘maar die verachtelijke grot is niets dan vunzigheid.’ De afkeer is zo hevig dat hij het feminisme ‘een seksuele afwijking’ noemt.

Stroom van fragmenten

Kroniek van een leven dat voorbijgaat laat zien dat Pessoa’s proza minstens zo rijk is als zijn poëzie. De stroom van fragmenten bevat alles onder de zon, filosofische mijmeringen natuurlijk, aforismen, brieven, droombeschrijvingen, zelfduiding, literaire kritiek en verhaalflarden. Pessoa schrijft over geschiedenis, sport, familie, literatuur en schrijvers. Hij is aangedaan door de zelfmoord van zijn beste vriend, de schrijver Mario de Sá-Carneiro, in 1916. Zo nu en dan neemt een heteroniem het over. ‘De psyche van dit individu is zeer moeilijk te definiëren, of, als ik het zo mag formuleren, hij is onmogelijk met een analyse te ontraadselen.’

Het is een sterk staaltje dat samensteller en vertaler Michaël Stoker uit die verscheidenheid een samenhangend boek heeft weten te maken. Thema’s en onderwerpen volgen elkaar als vanzelf op. De vertaling is soepel en doet recht aan Pessoa’s helderheid. Als bonus heeft Stoker een nawoord geschreven zonder een spoor van de zwaarte die de Pessoa-exegese soms moeizaam maakt. Bij hem ook geen blinde verering: er bestaat zoiets als een overdosis Pessoa, bekent hij zelfs.

Beeld Avalon Nuovo

Dat wil ik geloven, maar dat punt is met dit boek nog niet bereikt. Op elke bladzijde staan geweldige zinnen. Pessoa beschrijft zijn kindertijd als een ‘eeuwig voortlevend kadaver in mijn borst’. Hij lijdt zonder te weten waarom, ‘als een opgejaagde ree’. Soms krijgt hetzelfde sentiment iets baldadigs. ‘Ik verschil van mening met het leven en ik ben er trots op.’ Op andere momenten is hij berustend. Als alles mislukt waar ik op hoop, schrijft hij, ‘dan rest mij nog altijd het vooruitzicht naar de provincie te trekken om aardappels te telen in de schaduw van het ideaal’. Niet dat zijn psychische nood zo bijzonder was: het is ieders lot. De mens is ‘onnozele dienaar van zijn ambities, schimmenspel van zijn vruchteloze verlangens, opstandige en barbaarse slaaf van universele chemische wetten’.

Scherp en vermakelijk is hij ook over de politiek van zijn jaren. Hij sneert naar mensen die de censuur van Salazar verdedigen omdat er nog veel is waar wel over kan worden geschreven. ‘Als ze me in een cel opsluiten, hoeven ze zich niet op de borst te kloppen mij de ‘vrijheid’ te hebben gegeven tussen vier muren heen en weer te mogen lopen.’ Hij schrijft met afkeer over de eigen tijd en wenst de toekomt in handen van ‘degenen die het meest tegenwicht bieden aan het lawaai, de heldenverering, de bedrijvigheid en het nutsdenken van het moderne leven, kortom, aan degene die gewetensvol de traagheid en de argeloosheid cultiveert.’

Zoeken en tasten

Maar wat me uiteindelijk het meest trof is hoe radicaal Pessoa anno 2020 nog altijd klinkt, niet omdat hij allerlei ferme overtuigingen naar voren brengt, maar omdat hij dat meestal nalaat. Hij twijfelt vooral. Hij nuanceert. Hij zoekt en tast. Zodra zich een inzicht aankondigt, verdedigt hij het tegendeel. Hij verklaart zichzelf een voorstander van de monarchie en voegt onmiddellijk toe: en daarom ben ik republikein. De kroniek telt op tot een pleidooi voor radicale twijfel. ‘Zodra je aandachtig over iets nadenkt’, schrijft hij, ‘wordt het moeilijk er een mening over te hebben.’

Pessoa houdt ons zoiets als intellectuele waardigheid voor: een scherp besef van onze beperkingen om wat dan ook te begrijpen. ‘We wandelen slechts in het duister.’ Stellige meningen getuigen van een ‘gebrek aan ontwikkeling’. Je vindt ze bij ‘lieden die de dingen om zich heen uitsluitend opmerken om ze niet omver te lopen’. Hij beschrijft de publieke opinie als een vorm van liegen: ‘Simpel maken wat ingewikkeld is, geen onderscheid maken tussen dingen die je wel zou moeten onderscheiden, in algemeenheden spreken waar je om iets goed te kunnen definiëren eigenlijk in bijzonderheden zou moeten spreken en nonchalant zijn bij zaken waar precisie is vereist.’

Je zou willen dat Pessoa nog leefde en Twitter bestookte met zijn geëngageerde twijfel. ‘Een wezen met een moderne hartslag, een wakker gevoelsleven en de gordijnen van zijn intellect wijd open heeft de cerebrale verplichting om verschillende keren per dag van gedachten te veranderen.’

Zo is het maar net. Of misschien ook niet.

Fernando Pessoa: Kroniek van een leven dat voorbijgaat. Uit het Portugees vertaald door Michaël Stoker. Van Oorschot; 352 pagina’s; € 24,50. 

Beeld Van Oorschot
Meer over