Ruzies en chicanes bij opgravingen in Assyrie

VOOR DE Assyrische hoofdstad Niniveh en haar inwoners had de oudtestamentische profeet Nahum weinig goede woorden over. 'Wee der bloedstad, die gans vol leugen en verscheuring is', schreef hij aan het begin van een opsomming van zonden die Niniveh in zijn ogen aankleefden....

Nahums afkeer is niet onbegrijpelijk. Net als vele andere volkeren in het Midden-Oosten had het volk van Israël veel te verduren gehad van de veroveraars uit het Tweestromenland. Keer op keer waren vanuit het Assyrische kerngebied (in het noorden van het huidige Irak) legers opgemarcheerd om naburige volken te onderwerpen. Met succes meestal.

Wie, eenmaal onderworpen, in opstand durfde komen tegen de machtige Assyriërs, kon rekenen op wrede vergeldingsacties, die vaak gepaard gingen met deportaties van een groot deel van de bevolking. Dat zette kwaad bloed en werkte op den duur contraproductief: in 612 voor Christus werd het Assyrische rijk door een coalitie van vijanden aangevallen en verslagen. Niniveh en alle andere Assyrische steden werden verwoest.

De resten van de Assyrische steden met hun prachtig versierde paleizen raakten in de loop der tijd bedekt met een steeds dikker wordende laag woestijnzand. Ze zijn daardoor eeuwenlang onaangeroerd gebleven. Pas in de negentiende eeuw zijn ze te voorschijn gehaald.

Assyrië werd toen opnieuw veroverd, maar nu met andere middelen dan in 612. In plaats van speren, pijlen en ander oorlogstuig werden schop, houweel en kruiwagen gebruikt. Fransen en Engelsen stonden hierbij in de voorste linies. Van eendrachtige samenwerking was overigens meestal geen sprake. Integendeel, uit The Conquest of Assyria van de Deen Mogens Trolle Larsen blijkt overduidelijk dat haat en afgunst in de geleerde wereld van die dagen niet zeldzaam waren en dat menige vete werd uitgevochten, ter plekke of naderhand in het moederland.

In zijn recent in het Engels verschenen boek (de Deense versie is van 1994) maakt Larsen duidelijk dat niet alleen in het persoonlijke vlak rivaliteit aan de dag trad. Het imperialisme van de negentiende-eeuwse grote mogendheden heeft, behalve voor bijvoorbeeld de verdeling van Afrika, ook consequenties gehad voor de verdeling van opgravingsterreinen in Mesopotamië: wie het eerst kwam, kon het eerst de spade in de grond steken.

Dat was van belang voor de vraag of de gevonden kostbaarheden naar de schatkamers van het Louvre dan wel naar die van het British Museum zouden worden overgebracht. Dát eventuele vondsten naar Europa werden verscheept, sprak vanzelf. Heel het Midden-Oosten behoorde weliswaar in de negentiende eeuw tot het Turkse rijk, maar daarmee werd volstrekt geen rekening gehouden.

Larsen is als Assyrioloog verbonden aan het Carsten Niebuhr instituut van de universiteit van Kopenhagen. Hij heeft zich terdege verdiept in de geschiedenis van zijn vak en heeft onder andere niet eerder benutte egodocumenten van zijn voorgangers opgespoord. Hij citeert daaruit uitvoerig, wat de levendigheid van zijn verhaal ten goede komt.

Minder geslaagd is zijn poging de archeologische verovering van Assyrië in de negentiende-eeuwse context te plaatsen. Dat is te summier gebeurd. Maar dit neemt niet weg dat The Conquest of Assyria onderhoudende lectuur biedt. Het boek geeft boeiende biografische schetsen van een aantal bijzondere mannen. Ze waren bezeten van dezelfde passie, maar behept met uiteenlopende, soms botsende karakters.

Zo'n man was bijvoorbeeld de Fransman van Italiaanse afkomst Paolo Emilio Botta, een pionier van het eerste uur en de ontdekker van een paleiscomplex in Dur-Sharrukin, 'burcht van Sargon' (het huidige Chorsabad). Zo'n man was ook Hormuzd Rassam. Deze Rassam komt er bij Larsen gunstiger af dan in het verleden wel het geval was. Hij was weliswaar in het bezit van de Britse nationaliteit, maar was in Mosul aan de Tigris geboren en werd gezien als een 'oosterling'. Hij werd daarom geminacht door bepaalde Europese collega's, van wie sommigen er geen been in zagen zijn ontdekkingen compleet te negeren en aan anderen toe te schrijven.

Botta, Rassam, de Fransman Victor Place en anderen hadden hun verdiensten, maar voorop in de strijd om de moderne verovering van Assyrië liepen zonder enige twijfel twee Engelsen: Layard en Rawlinson. Hun leven en werk in de periode 1840-1860 en in het bijzonder de betrekkingen tussen beide mannen staan dan ook terecht centraal in Larsens boek.

Austen Henry Layard heeft opgravingswerk verricht in de omgeving van het vroegere Niniveh en daarbij belangrijke vondsten gedaan. Gemakkelijk had hij het niet. Chicanes van plaatselijke autoriteiten, tegenwerking van moslim-geestelijken, incompetentie van hem toegewezen medewerkers, chronisch geldgebrek, betutteling vanuit het verre Engeland, nauw verholen jaloezie van de man (Sir Stratford Canning) die zich eerder als zijn beschermer en weldoener had opgeworpen: ziedaar enkele van de obstakels die hij op zijn weg vond. Daarbij kwam dat de in aanvang warme vriendschap met Rawlinson allengs bekoelde.

Henry Creswicke Rawlinson heeft Layard bij diens werk aanvankelijk zeer gestimuleerd. Dat deed hij vanuit Bagdad, waar hij als agent van de Britse regering zijn standplaats had. Maar hem interesseerden archeologie en de door de archeologie bloot gelegde monumenten op zichzelf niet erg. Anders dan Layard had hij ook weinig oog voor de aparte schoonheid van de Assyrische kunst.

Rawlinson had een andere hartstocht. Hij had er zijn zinnen op gezet het spijkerschrift te ontcijferen en de met dat schrift genoteerde talen te leren begrijpen. Op dit terrein had hij zich al een goede reputatie verworven door zijn werk aan de Oud-Perzische inscriptie van Behistun. Nu drong hij er telkens in zijn brieven bij Layard op aan hem nieuw, met spijkerschrift beschreven materiaal vanuit Assyrië te verschaffen. Maar van zijn vorderingen bij de ontcijfering stelde hij Layard niet of slechts in vage termen op de hoogte. Voor de vriendschap was die terughoudenheid niet erg bevorderlijk.

De reden van zijn zwijgzaamheid is niet ver te zoeken. Hij was als de dood dat anderen hem te vlug af zouden zijn. Die vrees deed hem naar onoorbare middelen grijpen. Zijn landgenoot Hincks, predikant in Killyleagh in Ierland, werd de dupe. Rawlinson heeft Hincks' ideeën over de ontcijfering van het spijkerschrift eerst vurig bestreden om ze later, toen hij begreep dat Hincks op het juiste spoor zat, schaamteloos als zijn eigen vondsten te presenteren. Zo groeide hij uit tot 'de vader van de Assyriologie' en werd Hincks bijna vergeten. Assyrië werd niet heroverd zonder dat er slachtoffers vielen.

Hans Teitler

Mogens Trolle Larsen: The Conquest of Assyria - Excavations in an Antique Land, 1840-1860.

Routledge; 382 pagina's; ¿ 116,80.

ISBN 0 415 14356 X.

Meer over