Romeinse decadentie

Praal en seksuele losbandigheid

De Romeinse keizer Caligula (12-41 na Chr.) had van zichzelf een god gemaakt, hij had 'bergen goudstukken' in 'een reusachtig vertrek' laten storten waarin hij zich wentelde als een ware Dagobert Duck, hij bedreef de liefde met zijn zussen en benoemde zijn paard Incitatus tot consul, het hoogste ambt van Republikeins Rome, uit minachting voor de zittende magistratuur.

Het kon erger.

De latere keizer Nero (37-68) dwaalde 's nachts vermomd door Rome om argeloze voorbijgangers een pak slaag te geven of een inbraak te plegen, hij randde in vermomming de vrouw van een senator aan, hij pleegde incest met zijn moeder Agrippina en inspireerde of dwong dames van hoge komaf tot seksuele bandeloosheid.

Het kon nog erger.

De jonge Heliogabalus, Romeins keizer van 218 tot 222, benoemde zichzelf tot 'allerhoogste priester van de zonnegod Elagabal', hij probeerde er uit te zien als een vrouw, hij vroeg zijn artsen een vagina in zijn lichaam te snijden, hij prostitueerde zich met groot geschapen mannen in herbergen en in zijn eigen bordeel, hij baadde zich in zwembaden vol rozenwijn en rozen, hij liet zijn ontlasting neerdalen in een gouden schaal, hij voerde ganzenlever aan zijn honden, in zijn eetkamers had hij draaibare plafonds laten maken om zijn gasten - humor - onder bloemen te bedelven, 'zodat sommigen zelfs stikten doordat ze er niet meer onderuit konden komen', hij spande naakte vrouwen voor zijn wagen en reed dan naakt door de stad.

Hoe ver kan een keizer gaan? Ver.

Het buitenissige gedrag van de drie keizers is uitbundig geboekstaafd in talrijke antieke Romeinse geschriften, maar die werden niet zelden gevoed door roddel en achterklap. Later, vooral in de 19de eeuw, werden de geschiedenissen en anekdotes over de extravagante keizers vaak nog eens uitvergroot. Je kunt er dus niet blind op varen. Aan de andere kant is er ook nog wel wat tastbaars teruggevonden van de pracht en praal waarmee Caligula, Nero en Heliogabalus zich omringden, waaronder restanten van hun ongekend grote en luxueuze paleizen, tempels en buitenverblijven.

In Romeinse decadentie, geschreven door negen wetenschappers van de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn talloze voorbeelden van Romeinse weeldezucht en extravagantie aaneengeregen, maar daarmee is de vraag die in de inleiding wordt gesteld - 'Waren de Romeinen decadent?' - niet echt beantwoord. Waren ze decadent? Waren hun keizers dat? De ondertoon van het boek is: sommigen wel, anderen niet.

De Romeinse traditie verdroeg eigenlijk geen decadentie. Toen Octavianus, de latere, eerste keizer Augustus (63 v. Chr. - 14 n. Chr.), aan de macht kwam, besloot hij tot een sober leven, om niet in de val te trappen die Julius Caesar fataal was geworden toen hij in 44 v. Chr. door razende senatoren met 23 dolkstoten werd vermoord omdat ze niet langer konden leven met zijn autocratische optreden en bezorgd waren over de republiek. De Romeinse traditie van terughoudendheid en soberheid was er trouwens al eerder. In het bloeiende Rome van de 2de en 1ste eeuw v. Chr. waren er antiluxewetten van kracht, de leges sumptuariae, die het smijten met geld en het dragen van kostbare kleding en sieraden moesten beteugelen. Augustus probeerde die traditie te handhaven, maar Caligula en Nero kozen voor het hellenistische vorstenbeeld met bijbehorende decadentie om zich te bewijzen, want ze waren jong en nog zonder zichtbare kwaliteiten, schrijft Olivier Hekster in zijn bijdrage. Bovendien wisten ze dat het volk, in tegenstelling tot de senatoren, niet afkerig was van een keizer die zich als een godheid gedroeg.

Romeinse decadentie bevat prettige nuances en interessante noties, bijvoorbeeld over de gladiatorspelen en over Heliogabalus die in de rebelse kunst en literatuur van de late 19de eeuw tot idool werd verheven. Maar verder is het een tamelijk droog werkje dat, bijvoorbeeld in het hoofdstuk over het keizerlijke wonen, te weinig is afgestemd op het uithoudingsvermog

en van de lezer die als leek meer over de Romeinse keizergeschiedenis wil weten.

In een ander boek over de Romeinen, Rouw en razernij om Caesar, reconstrueert Tommie Hendriks van uur tot uur de moord op Julius Caesar en de dagen daarna. Hij heeft er een jongensboekachtig ooggetuigeverslag van gemaakt, op basis van feitelijk bronnenmateriaal. Zijn belangrijkste conclusie na vijf jaar studie: Caesar is niet op 18, 20, 21 of 23 maart bijgezet, maar op 17 maart! Waar zijn de wetenschappelijke opponenten?

Meer over