Rome's macht

AAN ZIJN Romans and Barbarians heeft de Britse auteur Derek Williams de vorm gegeven van een vierluik. Elk paneel van het boek, een vervolg op The Reach of Rome uit 1997, toont een andere episode uit de geschiedenis van de betrekkingen tussen Rome en de vreemde stammen aan zijn grenzen....

In twee van de vier door Williams behandelde gevallen gaat het om een gewapend conflict dat Rome won. Het moment waarop het Romeinse rijk zou bezwijken onder de druk van vijanden van over de grenzen was immers nog lang niet aangebroken. In de eerste eeuw na Christus was Rome, zij het soms met moeite, meestal opgewassen tegen de stammen die collectief in het Latijn werden aangeduid met de term 'barbaren'. Als dit aan het Grieks ontleende woord al ooit een neutrale betekenis heeft gehad ('vreemdelingen die geen Grieks spreken'), dan was die inmiddels volkomen vergeten: barbaren waren in de ogen van de geciviliseerde bewoners van het Romeinse keizerrijk ruwe en onbeschaafde woestelingen, van wie niet veel goeds te verwachten viel.

In het eerste hoofdstuk wordt nog niet al te veel gevochten. Williams schildert hierin het noordoostelijk grensgebied van het Romeinse rijk in de tijd van keizer Augustus. Hij doet dat in grauwe kleuren, in navolging van Ovidius, de Romeinse dichter die zijn bundels Sombere gedichten (Tristia) en Brieven uit Pontus naar eigen zeggen had geschreven in zijn ballingsoord Tomi aan de Pontus Euxinus, nu het Roemeense Constanza aan de Zwarte Zee. Ovidius' gedichten maken duidelijk dat iemand zich daar, ver van de beschaafde wereld en omringd door barbaarse Geten, diep ongelukkig moest voelen.

Om een indruk te geven van het leven in de onherbergzame noordoosthoek van het Romeinse rijk citeert Williams uitvoerig uit het oeuvre van 'de balling te Tomi' (de titel van een verhaal van Louis Couperus). Dat is zijn goed recht. Eeuwenlang zijn Ovidius' Sombere gedichten en zijn Brieven uit Pontus als autobiografische geschriften beschouwd en werd aangenomen dat de dichter naar Tomi was verbannen omdat hij de toorn van keizer Augustus had opgewekt. De reden voor die verbanning is overigens niet bekend. Ovidius zelf spreekt van 'een gedicht en een vergissing', maar men kan slechts gissen naar wat hij daarmee precies bedoelt.

In de laatste decennia van de twintigste eeuw is men gaan twijfelen aan het waarheidsgehalte van de Sombere gedichten en de Brieven uit Pontus. Men beroept zich hiervoor onder andere op de dichter zelf. Schrijft Ovidius niet ergens dat de verbeeldingskracht van dichters geen grenzen kent? En dat hun woorden niet historisch betrouwbaar hoeven te zijn? Aan de mogelijkheid dat Ovidius' ballingschap niet meer is geweest dan een literaire fictie, gaat Williams volledig voorbij.

Het is hem nauwelijks kwalijk te nemen. Hij is noch classicus noch historicus van professie, terwijl ook vele vakgeleerden de recente theorie van de fictionaliteit van de Tristia en de Brieven uit Pontus als dwaas van de hand wijzen. Ovidius is verder niet de enige bron die Williams heeft geraadpleegd voor zijn aardige en levendig geschreven eerste hoofdstuk.

Over het algemeen betoont Williams zich een betrouwbare gids bij de rondgang door de gebieden waar Romeinen en barbaren elkaar ontmoetten, al blijkt helaas een aantal malen dat hij niet echt deskundig is op het vakgebied dat hij heeft betreden. Dit is ook zijn uitgever aan te rekenen. Het zou toch een kleine moeite zijn geweest aperte fouten in Latijnse woorden en uitdrukkingen te laten verbeteren.

Aan het tweede hoofdstuk is de merkwaardige titel 'De jurist' meegegeven (hoofdstuk 1 heet: 'De dichter'). De benaming slaat op Publius Quinctilius Varus, de Romeinse generaal die in 9 na Christus een verpletterende nederlaag leed tegen Germanen onder leiding van Arminius (in zijn eigen taal heette Arminius vermoedelijk Herman). Williams wil de nederlaag van Varus verklaren door aan te nemen dat de Romein slechts een rechtsgeleerde was en geen ervaring had met militaire zaken. Dit is beslist onjuist. De auteur creëert hier een tegenstelling die er in feite niet was.

De nederlaag van Varus vond plaats in het Teutoburgerwoud. Waar precies, is lange tijd omstreden geweest. Behalve het Duitse Detmold - daar bevindt zich het uit de negentiende eeuw stammende 'Hermannsdenkmal' - beroemden tal van andere plaatsen zich erop de plek te zijn geweest waar Arminius alias Herman de Romeinen een lesje had geleerd. Zelfs het Nederlandse Varsseveld was een tijdlang in de race. Maar tegenwoordig is er op grond van archeologische vondsten vrij grote zekerheid dat de slag zich moet hebben afgespeeld bij Kalkriese in de buurt van Osnabrück. Williams wijdt onderhoudende bladzijden aan deze kwestie.

In de tweede helft van Romans and Barbarians wordt de lezer eerst meegevoerd naar Britannia, en vervolgens naar Dacia, het gebied dat ongeveer samenvalt met het huidige Roemenië. In het hoofdstuk over Britannia krijgt het optreden van de Romeinse gouverneur Agricola veel nadruk. Verbazingwekkend is dat niet, want Williams kon hiervoor gebruik maken van de monografie over Agricola van de hand van Tacitus, Agricola's schoonzoon en Rome's meest vooraanstaande geschiedschrijver.

Bronnen voor de strijd van de Romeinen tegen de Daciërs zijn moeilijker aan te boren. Maar Williams heeft ook hier zijn huiswerk goed gedaan. Zo maakt hij onder andere een verstandig gebruik van het niet altijd eenvoudig te interpreteren beeldmateriaal op de zuil van Trajanus.

Deze nog steeds in Rome te bezichtigen zuil van bijna dertig meter hoog werd opgericht ter herinnering aan de Dacische oorlogen van keizer Trajanus (98-117). Erop afgebeeld (en te zien op een foto in Romans and Barbarians) is onder andere het moment waarop de Dacische koning Decebalus zelfmoord pleegt. Links van de koning is een ruiter zichtbaar, die zijn rechterhand uitstrekt. Wie deze ruiter was, staat er niet bij. Maar door een gelukkig toeval kennen we toch zijn naam.

In 1965 werd ergens in het noorden van Griekenland een grafsteen ontdekt met daarop vrijwel dezelfde scène. Op de bijbehorende inscriptie meldt de cavalerieofficier Tiberius Claudius Maximus vol trots dat hij het was die Decebalus gevangen had genomen; dat de koning zelfmoord pleegde, vertelt hij er overigens niet bij.

Meer over