Boekrecensie

Roman over Romeins keizerskind krijgt geen vleugels ★★☆☆☆

Rosita Steenbeek vult de leemten in de biografie van Julia, de verstoten dochter van Augustus.

Emilia Menkveld

Augustus, de eerste keizer van het Romeinse Rijk, de man die rust en welvaart bracht na een woelige periode van burgeroorlogen, de man die overal theaters, tempels, thermen en aquaducten liet verrijzen, de Vader des Vaderlands, die Rome zo’n tweeduizend jaar geleden tot hoofdstad maakte van een wereldrijk – die man had één kind: Julia.

De Julisch-Claudische dynastie waartoe zij behoren, is in het huidige Rome nog alomtegenwoordig; namen van de familieleden sieren gevels en monumenten, musea staan vol met hun standbeelden. Maar van Augustus’ enige dochter ontbreekt vrijwel ieder spoor. Ook in de schriftelijke bronnen is relatief weinig terug te vinden over haar bestaan.

Schrijfster Rosita Steenbeek (1957), die al ruim dertig jaar in Rome woont, raakte gefascineerd door het verstoten keizerskind en schreef een historische roman over haar leven. Julia werd vlak na haar geboorte van haar moeder gescheiden en groeide op bij Augustus en haar stiefmoeder Livia in het keizerlijk paleis op de Palatijn. Ze trouwde drie keer, met mannen die haar vader voor haar had uitgezocht, en kreeg vijf kinderen. Julia schijnt een belezen, eigenzinnige vrouw te zijn geweest, die in literaire kringen verkeerde. In 2 voor Christus werd ze door haar eigen vader verbannen naar het eilandje Pandataria (het huidige Ventotene). Officieel wegens overspel, maar mogelijk had het meer te maken met een plan om Augustus kalt te stellen, waarbij Julia betrokken zou zijn geweest.

Steenbeek vult de schaarse feiten aan met haar verbeelding – het gebrek aan bronnen lijkt ze als een voordeel te beschouwen. Met sjeu beschrijft ze het geroddel rond het keizerlijke hof. Bekende dichters als Ovidius en Horatius laat ze achteloos opduiken op literaire avondjes, waar ze hun nieuwste werk voordragen. De dichteres Sulpicia krijgt een wat geforceerd pleidooi voor vrouwelijke dichtkunst in de mond gelegd. De mannen in het gezelschap kunnen er weinig aandacht voor opbrengen.

Een korte verantwoording had de roman wel kunnen gebruiken. In de loop van het verhaal citeert Steenbeek allerlei verzen uit de Latijnse literatuur, maar nergens licht ze toe welke vertalingen er zijn gebruikt. Sommige lijken direct van internet geplukt, andere zijn zonder bronvermelding overgenomen uit gepubliceerde teksten, zoals Ovidius’ Amores door Marietje d’Hane-Scheltema.

Steenbeek vertelt niet alleen het verhaal van Julia, als verteller treedt ze ook zelf nadrukkelijk op de voorgrond. In gecursiveerde passages, verspreid door het boek, beschrijft ze hoe ze door het decor van Julia’s leven dwaalt. ‘Ik leg mijn hand op een muur die er toen al stond, maar ontdaan is van pleister. De koude steen wordt warmer onder mijn aanraking, de kleuren keren terug, groene ranken kronkelen over een rode ondergrond.’ Hier heeft Julia gelopen, lezen we keer op keer. Dit moet ze hebben gezien, hier moet ze zijn geweest.

Troje

De historische sensatie krijgt een wel erg letterlijke echo tijdens Julia’s (waargebeurde) reis met haar man Agrippa naar het oosten. Op eigen houtje besluit ze een tripje naar Troje te maken, waarbij ze onderweg nog bijna verdrinkt. Eenmaal aangekomen vergaapt Julia zich aan de resten van de ‘door Homerus bezongen muur’, die warmer wordt onder haar aanraking, waarna ze mijmert over alle helden die deze stenen gezien moeten hebben…

Zo is het hele boek een poging om het verleden aanschouwelijk te maken, net als in de toeristische virtualrealityshow op het Forum Romanum die de verteller bijwoont in de proloog. Alleen is dáár geen aandacht voor de keerzijde van Augustus’ bewind, en komt Julia helemaal niet ter sprake.

Steenbeeks versie van dit vrouwenleven leest lekker weg en is bij vlagen heel beeldend. Maar veel diepgang wil Julia niet krijgen. Daarvoor kabbelt het verhaal te veel voort, zijn de personages te eenduidig. Van Augustus en Livia krijgen we geen enkele hoogte; ze zijn harteloos en kil, als de standbeelden waarmee ze steeds weer worden vergeleken. Zoals wel vaker in romans over ‘vergeten’ vrouwen blijkt de hoofdpersoon juist een voortreffelijk wezen. Julia is mooi, slim, plichtbewust maar toch rebels, en ook nog een warme, betrokken moeder.

Met Iullus Antonius, uit historische bronnen bekend als Julia’s grote maar onmogelijke liefde (zijn vader Marcus Antonius was door Augustus verslagen in Egypte), beleeft ze een zoetsappige romance: ‘Alles is zoals het moest zijn. Het was geen illusie, geen bevlieging. Vanaf het moment dat ze hem zag wist ze dat ze bij elkaar hoorden.’

Met zo veel platitudes is de historische sensatie snel vervlogen.

Rosita Steenbeek: Julia. Prometheus; 320 pagina’s; € 23,99.

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus
Meer over