Roddelen als conversatiekunst

Arjan Peters

Tikken helpt niet, zomin als wrijven, om van Haarlem een oord te maken waar je als auteur mee voort kunt. Gezeemde ramen, geschrobde stoepjes, fluitende dienstkloppers, en in het café anderhalve bohémien naar wie geen hond luistert, omdat de goegemeente het verkiest zich te blijven wentelen in de ongevaarlijke roomse grollen van Godfried Bomans. Ondeugendheid als hoogst haalbare artistieke provocatie. Cultuur in Haarlem, dat zijn de fraai verstofte stillevens van Kees Verwey, de gesteven kragen rond de speknekken op de doeken van Frans Hals, en een middagje knusse dixielandmuziek op de Grote Markt.

Spreek Louis Ferron er niet van. Hij behoort tot de auteurs die hun onvrede creatief maken. Omdat tikken geen soelaas biedt, scheurt hij plankgas in een shovel door de oude binnenstad, grommend haalt hij antieke geveltjes omver, en met een vervaarlijk breekijzer keert hij de kinderkopjes en straattegels, om het meurende moeras onder het plaveisel bloot te leggen.

Als het niet goedschiks gaat, dan liever de bijl erin gezet - en dat alles in een bloemrijke stijl. Wie zijn stad liefheeft moet haar immers kastijden, voordat je meegezogen wordt in de braafheid en middelmaat. Onder het slopen neuriet Ferron er een walsje bij in dubieus operette-Duits, als om de tevreden Biedermeiers rondom hem een onwelkom lesje te leren.

Ook voor zijn nieuwe roman heeft Ferron zijn pen in gal gedoopt, om zijn stad welbespraakt met de karwats te geven. Voor zijn eerdere oergeestige gekanker, in de romans De Walsenkoning, Een aap in de wolken en Viva suburbia, met de chef streeknieuws van de Kennemer Bode genaamd Ferron als onweerstaanbare antiheld, kreeg hij op 25 februari 2002 in de Toneelschuur uit handen van burgemeester Pop de erepenning van Haarlem uitgereikt. Deze sluwe poging om Ferron in te kapselen heeft hem evenwel niet door de knieën doen gaan.

In Werken van barmhartigheid verdeelt hij zich over Otto Wandelaar (van aankomend dichter teruggezakt tot streekverslaggever van de Kennemer Bode) en Bernhard Oolsdorp, een voormalig 'rechtskundig adviseur' die zichzelf uit afkeer van alles, inzonderheid het Haarlemse, heeft verbannen naar een Twentse hoeve bij Angerloo. Zijn voornaam verwijst naar de achternaam van de grandioze Oostenrijkse kankerpit Thomas Bernhard, die zich ook in een boerderij had opgesloten. Ver van de dolle menigte.

Wandelaar zoekt Oolsdorp op, om te horen waarom de oude zich in 1995 openlijk vierkant had opgesteld achter Teuntje Schrader, wier Afrikaanse zoontje Idriss op zijn twaalfde is verdronken. Door toedoen van kaalkoppen met piercings en tatoeages, zoals Oolsdorp vermoedde, of had de door het lezen van hagiografieën geïnspireerde (en door haar verslaving en 'koude kalkoenen' verder ontregelde) Teuntje gemeend door het offeren van haar kind uit te kunnen groeien tot een halve heilige? In een wereld waar God zich merkbaar uit heeft teruggetrokken, kan Hij misschien nog door zo'n navolging van Abraham worden teruggelokt. Eén ding is zeker: Teuntje werd door de media tot item gemaakt, kwam op de buis met Oolsdorp en met een bezorgde minister-president, vond al spoedig waxinelichtjes en knuffels voor haar deur, en heeft uiteindelijk zelfmoord gepleegd om aan de perversie en hysterie een eind te maken.

Zo gaat dat tegenwoordig, en nu zelfs in Haarlem, begrijpen wij dankzij het breekijzer, de shovel en de walsmuziek van Louis Ferron. Het enige dat stadsvader Pop hierna nog kan uitrichten, is de schrijver tot nachtburgemeester uitroepen. Of dat zal helpen, moet worden betwijfeld. Het streeknieuws lekt nu al uit. Er is geen houden aan.

'Meer nog dan de leugen regeert de domheid dit land', oreert Oolsdorp, 'zwijnen zijn we allemaal.' 'Sinds de Beeldenstorm is de sneer uit Haarlem', voegt Wandelaar daaraan toe, alleen het roddelen is er tot conversatiekunst gestegen, kantonrechters verworden er tot onverbeterlijke hoerenlopers, en dezelfde 'linkse baardapen' die hun Beatrix-school volhangen met antiracisme-posters zorgen er intussen wel voor dat hun schooltje keurig blank blijft.

Wandelaar is een gemankeerd dichter, en zag zijn vrouw er vandoor gaan met een notabele: arts, corpsbal, cricketliefhebber, dan weet je het wel. Haarlems tot in zijn nieren en achter zijn ellebogen.

In Oolsdorp gist ook de nodige rancune: op jeugdige leeftijd ging zijn vader in Den Helder voor de Duitsers werken, zijn moeder zocht haar heil bij een Arische koorleider, en Bernhard kreeg zijn Ausbildung aan de Horst Wessel-Schule in Aken. En een les voor het leven, dat kréég-ie: op het toilet, terwijl de bommenwerpers boven zijn kop raasden, zat hij boven zijn eigen derrie en keek ineens recht de blauwe hemel in. Alles om hem heen spatte uit elkaar, maar hij leefde nog, en constateerde perplex dat hij constateerde: 'Ik was op dat moment een ander. Dat was de hel, mijnheer, dat ik een ander was. Ik was mezelf als het ware kwijtgeraakt en besefte dat het me een leven lang zou kosten mezelf terug te vinden ( . . .). Ik ben een toeschouwer geworden van mijn eigen leven. Ik kijk ononderbroken als ik waak, zelfs als ik slaap blijf ik kijken.'

De droom, de nachtmerries, de ondergronds sluipende sentimenten en ressentimenten, díe spreken in deze roman de waarheid. En die is onaangenaam voor velen.

Rampen worden op tv teruggebracht tot folkloristisch amusement, de politie tracht excessen toe te dekken en roept zo nieuwe excessen op, en niemand wil eraan dat een ouwe gek vanuit Twente een banvloek braakt die hout snijdt: 'De wereld is het gebrek van zichzelf. En ze verdwijnt, onherroepelijk, achter de horizon die ze zelf in het leven heeft geroepen. Het is alles een kwestie van oude sneeuw en gereutel in goten. U ziet maar wat u ermee doet.'

Omdat hij in Wandelaar 'een spion van de onderkant' vermoedt, neemt Oolsdorp de verslaggever in vertrouwen. Met als gevolg dat de beerput opengaat. Na verloop van tijd weet Wandelaar niet meer of hij Oolsdorp hoort spreken of een stem in zijn binnenste. En dat is waar Ferron zijn personages het liefst heeft. Van droesem en troebelheden kan hij zijn elixers brouwen die je een gulle lach ontlokken en een hartverzakking bezorgen. Troebelheden laten paradoxalerwijze helderder zien dat wij zwijnen zijn en blijven, dan die 'hel van gezelligheid die wij welvaartsstaat noemen'.

Met bijna oudtestamentische wellust giet Ferron de fiolen van zijn toorn uit over de pagina's. Werken van barmhartigheid, een reis naar het einde van de nacht in het Haarlem van nu: Louis Ferron, de rouwclown van een verziekte era, geeft er een rotschop tegen en het zíngt niet, het kermt. Giftige distels en etterende fistels bloeien op de compost van zijn woede over een land dat apathisch naar de ratsmodee gaat. De schrijver kijkt ernaar, en laat zijn pen een tegendraads walsje uitvoeren.

Oolsdorp had die alleenstaande moeder willen beschermen, maar waar de domheid regeert, rest ook hem slechts de rol van grauwende toeschouwer: 'Men wordt niet meer geraakt door de dingen, mijnheer Wandelaar.'

Aan déze schrijver heeft het niet gelegen. Niet alleen Haarlem kan fier op hem zijn.

Louis Ferron: Werken van barmhartigheid.
De Bezige Bij; 254 pagina's; euro 18,50.
ISBN 90 234 1163 3.

Meer over