nieuws

Rijksmuseum maakt grote tentoonstelling over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd

In Revolusi! Indonesië onafhankelijk staan de ervaringen van twintig mensen centraal die vanuit verschillende posities de gebeurtenissen van toen meemaakten.

Michiel Kruijt
Drie jonge Indonesiërs op straat, onder wie twee Republikeinse vrijwilligers uit Sulawesi, leden van de gewapende jeugdorganisatie KRIS, op verlof in Yogyakarta, december 1947. Beeld Hugo Wilmar, Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad
Drie jonge Indonesiërs op straat, onder wie twee Republikeinse vrijwilligers uit Sulawesi, leden van de gewapende jeugdorganisatie KRIS, op verlof in Yogyakarta, december 1947.Beeld Hugo Wilmar, Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Het Rijksmuseum presenteert van 11 februari tot en met 5 juni een grote tentoonstelling over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Die begon in 1945 en leidde vier jaar later tot de oprichting van de staat Indonesië. Daarmee kwam een einde aan 350 jaar Nederlandse aanwezigheid in het land en de kolonie Nederlands-Indië.

In Revolusi! Indonesië onafhankelijk staan de ervaringen van twintig mensen centraal die vanuit verschillende posities de gebeurtenissen van toen meemaakten. Onder hen een in Nederland geboren vrouw die de zijde van de revolutionairen koos, en een 16-jarige Nederlandse vrijwilliger die in Noord-Sumatra tegen vrijheidsstrijders vocht en merkte dat daar veel meer geweld was dan hem in Nederland was verteld.

De tentoonstelling draait niet om schuld en schaamte. ‘Het gaat om mensen, ooggetuigen die verwikkeld raakten in deze revolutie’, zegt Taco Dibbits, directeur van het Rijksmuseum. Iets vergelijkbaars deed het Rijks tijdens de tentoonstelling Slavernij van vorig jaar: die was opgehangen aan tien hoofdpersonen.

In de nieuwe expositie, die in 2023 naar Indonesië reist, worden meer dan 200 voorwerpen getoond, afkomstig uit Australië, België, Engeland, Indonesië en Nederland. Het gaat onder meer om herinneringen in privébezit, niet eerder in Nederland vertoonde schilderijen uit Indonesische kunstcollecties en foto’s, affiches en pamfletten die indertijd in Indonesië in beslag zijn genomen door Nederlandse militaire inlichtingendiensten.

De tentoonstelling is samengesteld door twee Nederlandse conservatoren van het Rijksmuseum en twee Indonesische curatoren. In de expositie is ook een installatie te zien van de in Yogyakarta gevestigde kunstenaar Timoteus Anggawan Kusno (32). Hij maakte een kunstwerk met objecten van het Rijksmuseum uit de koloniale periode. ‘Hij geeft een stem aan en verbeeldt het antikoloniale verzet dat voorafging aan de Indonesische revolutie en de gevolgen van de koloniale ervaring in de wereld van vandaag’, aldus het Rijksmuseum.

Directeur Dibbits benadrukte dinsdag dat de tentoonstelling onafhankelijk is gemaakt van het onderzoek dat nu loopt naar het geweld tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Het kabinet gaf eind 2016 opdracht tot dat onderzoek. Dit wordt onder meer uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD).

Tussen 1945 en 1949 kwamen naar schatting 100 duizend Indonesiërs en bijna 5.000 Nederlandse militairen om het leven. Koning Willem-Alexander bood tijdens een staatsbezoek aan Indonesië in 2020 excuses aan voor het geweld dat Nederland aanrichtte tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië.

In Revolusi! Indonesië onafhankelijk zal niet de term ‘bersiap’ worden gebruikt, zo maakte de Indonesische curator Bonnie Triyana in een opiniestuk in NRC bekend. Hij is historicus en hoofdredacteur van de populaire website Historia.id in Jakarta. De term bersiap (‘Sta paraat’, een strijdkreet) werd gebruikt voor een periode van gewelddadigheden tegen onder meer Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanse bezetter opgesloten waren geweest. Na hun bevrijding werden ze aangevallen door Indonesische vrijheidsstrijders. Door Nederlanders werd dit de ‘Bersiap-periode’ genoemd. Die term is volgens Triyana niet correct.

‘Als we het begrip ‘bersiap’ in zijn algemeenheid gebruiken voor geweld dat tijdens de revolutie plaatsvond tegen Nederlanders, krijgt het een sterk racistische lading’, schrijft hij in zijn opiniestuk. ‘Meer nog omdat bij het begrip ‘bersiap’ altijd primitieve, ongeciviliseerde Indonesiërs als daders van de gewelddadigheden worden opgevoerd, wat niet geheel vrij is van rassenhaat. De wortel van het probleem ligt in het onrecht dat het kolonialisme creëerde en dat een structuur vormde van een op racisme gebaseerde hiërarchische samenleving die de exploitatie van de kolonie omhult.’

De Federatie Indische Nederlanders (FIN) kondigde dinsdag aan dat zij aangifte doet tegen Triyana wegens het schrappen van het woord ‘bersiap’. Het gaat volgens de FIN om een periode ‘waarin Indonesiërs op racistische gronden (Indische) Nederlanders vervolgden, verkrachtten, martelden en vermoordden’. Het niet gebruiken van de term is volgens de belangenvereniging van Indisch Nederland een ‘krankzinnige en stuitende vorm van bersiap-ontkenning’.