Ridder Quichot met fanfare voor de lol

Het carnaval is nog niet ten einde of de ‘ridder met het droeve gelaat’ alias Don Quichot, wordt ontridderd door een feestende hoempabende....

De Vlaamse auteur Jeroen Oly-slaegers voert een schrijver op die, teruggetrokken in een plantenkas, broedt op nieuw werk. De twee monsters in zijn hoofd die hem daarbij teisteren, duiken vervolgens in levenden lijve op en ontpoppen zich tot de romanfiguren Don Quichot en diens trouwe kompaan Sancho Panza.

Verbeelding en doen alsof, daar draait het in deze voorstelling om. De schrijver die zich inbeeldt monsters in zijn kop te hebben, de ‘monsters’ die ridder en knecht spelen.

Don Quichot die, belust op avontuur en romantiek, de dienstmeid van de schrijver verheft tot de schone Dulcinea.

Bert Luppes (Don Quichot) en Dick van den Toorn (Sancho Panza) maken van de twee titelhelden een aandoenlijk duo. Van den Toorn huppelt koddig en immer hongerig achter zijn heer aan, terwijl Luppes zich gretig stort op de retoriek van de dolende Don. Op de achtergrond grote foto’s van een modern, oer-Hollands windmolen veld.

De confrontatie tussen de oude, ridderlijke waarden en de vlotte jolijt, wordt opgestuwd door een blaaskapel, die pal voor de pauze opduikt in de zaal met de feestvierende dienstmeid in hun midden. Don Quichot denkt dat zijn grote geluksmoment nabij is, maar ‘Dulcinea’ moet verder met de muziek mee het land in.

De held tegen wil en dank ziet haar pas terug als op het einde een carnavaleske optocht binnenkomt van de ‘hertog’ en de ‘hertogin’ van de Lage en de Allerlaagste landen (natuurlijk, het zijn de schrijver en zijn dienstmeid). Die geven de verbeelding van Don Quichot de doodsteek door zijn missie als grap af te doen.

‘Wees toch niet zo serieus!’, roept het gezelschap de ridder toe, die daarop zijn zwaard en titel aan zijn knecht overdraagt. Dat is het moment waarop de voorstelling raakt.

De ontridderde Don Quichot en die malloten in rare pakken, ze spelen eenzelfde spel van verkleding maar de inzet verschilt wezenlijk. De ridder gaat voor de levensopdracht en het afzien, de fanfare voor de vrolijke ontlading en de lol. Over dat contrast kan de kijker na afloop nog eens goed nadenken.

Meer over