Richtlijnen voor rechtvaardigheid

Als de dag van gisterendoor Jan Blokker..

Jan Blokker en Arnold Koper

Anatole France, de 19de-eeuwse Franse schrijver, schreef ooit sarcastisch dat het zowel de miljonair als de bedelaar vrij staat onder een brug over de Seine te slapen. Waarmee maar gezegd wil zijn dat je een samenleving nooit kunt beoordelen op (grond)wettelijke rechten alleen. Zeker zo belangrijker is of burgers daarvan gebruik kunnen maken. Het recht op medische behandeling bijvoorbeeld blijft een dode letter als je geen ziektekostenverzekering kunt betalen. En als alleen de rijken in staat zijn een plaats in de volksvertegenwoordiging te veroveren, wordt het kiesrecht ondermijnd. De Verenigde Staten, noteert de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum dan ook in haar onlangs verschenen Grensgebieden van het recht, beginnen zo bezien verdacht veel trekjes te krijgen van een plutocratie (regering van en voor de rijken).

Nussbaum heeft een staat van dienst waar je U tegen zegt. Ze publiceerde veelbesproken studies naar de waarde van het academisch onderwijs, de positie van vrouwen en de betekenis van emoties. Ze is bovendien een uitgesproken links-liberale, aangenaam stemmende denker, die zich dwars tegen de tijdgeest in ‘politiek correct’ blijft noemen, al is het maar omdat zorgvuldig taalgebruik eraan bijdraagt dat mensen elkaar als unieke individuen blijven zien en niet als leden van een (gestigmatiseerde) groep.

In Grensgebieden van het recht behandelt Nussbaum de positie van mensen met een fysieke of mentale handicap, de verhoudingen tussen de burgers van rijke en van arme landen, en de rechten van dieren, die volgens haar stiefmoederlijk zijn bedeeld in het sociaal-contract waarop moderne liberale samenlevingen filosofisch gesproken gegrondvest zijn.

Het sociaal-contract dat tussen de 16de en 18de eeuw werd ontwikkeld door denkers als Hobbes, Locke en Rousseau, gaat er ruwweg van uit dat de mensen om de oorspronkelijke natuurtoestand (‘de oorlog van allen tegen allen’) te overwinnen, een verdrag tot wederzijds voordeel sluiten waarin zij zich onderwerpen aan de wet, en politieke instituties stichten om conflicten te beslechten.

De hamvraag die volgens Nussbaum over ieder sociaal-contract moet worden gesteld, is: wie stellen het op en voor wie gelden de rechten en plichten die erin besloten liggen?

In de loop van de moderne geschiedenis was het antwoord aanvankelijk: het is een overeenkomst tussen rijke, machtige, blanke mannen die het lezen en schrijven machtig zijn. Vrouwen, lijfeigenen, slaven en kleurlingen werden dus evenals kinderen en armlastige mannen uitgesloten. Zo bezien is de geschiedenis van de afgelopen eeuwen een emancipatieproces waarin steeds meer mensen als gelijkwaardige contractpartners werden erkend. De 20ste-eeuwse liberale contractfilosofie van John Rawls (1921-2002) rekende dan ook nadrukkelijk af met op ras, klasse en sekse gebaseerde vooroordelen.

Toch blijft er volgens Nussbaum iets wrikken in het sociaal-contract. Wat dieren betreft valt dat gemakkelijk te begrijpen. Ze hebben immers geen (menen velen) of in elk geval een ander bewustzijn (Nussbaum) en kunnen dus zelfs in de ruimhartigste variant van het sociaal-contract geen gelijkberechtigde contractpartners zijn.

Toch zullen maar weinigen beweren dat dieren géén rechten hebben, getuige ook de recente zegetocht van de Partij voor de Dieren. Maar waar komen die rechten vandaan als ze niet kunnen worden afgeleid uit het sociaal-contract?

Een vergelijkbaar probleem duikt op in onze relatie met vreemdelingen. Zij zijn begiftigd met dezelfde intellectuele vermogens als wij, maar omdat het sociaal-contract is gebaseerd op de natiestaat, hebben we, zoals ook Nederlandse politici de afgelopen jaren stelselmatig duidelijk hebben gemaakt, toch nauwelijks verplichtingen jegens hen. Zij kunnen zich dus ook niet op de rechten beroepen die ons, als contractpartners, worden toegekend.

Mensen met een handicap ten slotte zijn – een paar uitzonderingen daargelaten – natuurlijk wel in staat als contractpartner te fungeren. Het probleem is alleen dat ze daarvoor kostbare voorzieningen nodig hebben. Volgens de contracttheorie zullen die alleen tot stand komen als de andere contractpartners daar ook belang bij hebben. Maar dat is, zoals Nussbaum aantoont, niet, of maar in beperkte mate, het geval. De kosten om, bijvoorbeeld, de samenleving rolstoelvriendelijk in te richten, zijn nu eenmaal vele malen hoger dan de bijdrage die rolstoelgebruikers kunnen leveren aan de welvaart (of het welzijn) van contractpartners die niet van een rolstoel afhankelijk zijn.

Nussbaum concludeert, terecht, dat een louter op wederzijds voordeel berustend sociaal-contract nooit de grondslag kan zijn voor een rechtvaardige samenleving.

Daarvoor is meer nodig: een prepolitiek, intuïtief concept van rechtvaardigheid. Daarvoor grijpt ze terug op Aristoteles die de mens als een in essentie sociaal, dus niet alleen op zijn eigen voordeel georiënteerd wezen zag, op Kant die stelde dat mensen nooit als middel tot een doel mogen worden gebruikt, en op de jonge Marx die meende dat de ‘armoede van de economen’ erin schuilt dat ze niet in staat zijn het ‘alzijdige’ potentieel aan menselijke vermogens (om lief te hebben, te genieten, voor anderen te zorgen) in hun boekhoudkundige sommen op te nemen.

Nussbaum komt op basis hiervan tot een lijst met (menselijke) ‘vermogens’ die iedere samenleving tot op een minimumniveau moet respecteren om rechtvaardig te zijn. Daartoe behoren onder meer het recht op lichamelijke onschendbaarheid en het vermijden van nodeloze pijn, om sociale banden aan te knopen, te spelen en de eigen omgeving vorm te geven.

Ook zou elke samenleving ‘in haar grondwet een clausule moeten opnemen waaruit duidelijk wordt dat het uitdrukkelijk de bedoeling is dat dieren behandeld zullen worden als wezens die recht hebben op een leven in waardigheid’.

Hoewel Nussbaum haar bijna 400 pagina’s tellende betoog met veel navoelbare voorbeelden illustreert, is Grensgebieden van het recht toch vooral voer voor filosofen die al in de kleine lettertjes van de politieke theorie zijn ingewijd. Haar boek bevat ook veel herhalingen, en dankzij de vele zijpaden die ze bewandelt, raak je het zicht op de hoofdroute nogal eens kwijt.

Daarbij komt dat Nussbaum op sommige cruciale vragen geen antwoord geeft. Zo meent ze, met de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee in diens Dierenleven, dat ‘wij worden omgeven door een onderneming in vernedering, wreedheid en moord die alles waartoe het Derde Rijk in staat was evenaart, want we produceren kippen, koeien, varkens (*) met als enige doel ze uiteindelijk te vermoorden’.

Toch trekt ze daaruit niet de conclusie dat het doden van dieren voor consumptie altijd onrechtvaardig is. ‘Op dit moment’, argumenteert ze in een cruciale passage, moeten we er genoegen mee nemen de omstandigheden waaronder dieren worden gefokt, te verbeteren, zonder te ontkennen dat de dood van een dier ten behoeve van onze consumptie een ‘kwaad zou vormen’.

Zo beschouwd blijken er dus toch geen absolute criteria voor een rechtvaardige samenleving te bestaan en hangt die, behalve van onze morele gevoelens en idealen, vooral af van de voorwaarden (welvaart en technische mogelijkheden) waaronder ethische normen worden toegepast.

Maar aan die materiële dimensie van het ‘goede leven’ wordt in haar even academische als idealistische studie geen woord gewijd.

Arnold Koper

Martha Nussbaum: Grensgebieden van het recht – Over sociale rechtvaardigheid Vertaald uit het Engels door Peter Diderich en Rogier van Kappel Ambo 400 pagina’s euro 29,95 ISBN 90 263 1969 X

Meer over