Revolutionaire lofzang op het landschap

BEELDENDE KUNST..

Turner: watercolours from the RW Lloyd Bequest. T/m 20 sept. British Museum, Great Russell Street, Londen. Ma t/m za 10-17u, zo 14u30-18u. Catalogus 20 Pond (ca. * 67). Hij kon een heuvelrug somber maken, maar geen boom laten huilen. Hij kon golven opzwepen tot razernij, maar geen mens tot woede, schrik of liefde bewegen. De Britse schilder Joseph William Turner (1775-1851) is zijn leven lang vervuld geweest van een verlangen om het Engelse en Europese landschap een ziel te geven.

Dat verlangen bracht hem ertoe het geheel te zien in plaats van het detail, de stemming in plaats van het feit, de kudde in plaats van de koe, het bergmassief in plaats van het blad. En dus dolf, met die koe en dat blad, ook de individuele mens het onderspit op zijn schilderijen, in de honderden pastels en waterverven die hij maakte. Gelukkig maar.

Zonder Turner, en zonder Caspar David Friedrich natuurlijk, hadden we nu niet kunnen genieten van die overstelpende land- en zeegezichten waar het gevaarlijk toeven is of juist niet. Zonder dit duo hadden we misschien nooit oog gehad voor de wisselende gemoedstoestanden die ook bergen, golven en luchten kunnen hebben: van teder tot wreed, van lieflijk tot kwaadaardig, van kattenvel-zacht tot schurend hard.

Tientallen keren is de mogelijkheid er al geweest om je daarvan te vergewissen. In de speciale afdeling die de Londense Tate Gallery voor Turners nalatenschap heeft gebouwd en waar de ontwikkeling van de meester in olieverf permanent te volgen is. In de tientallen tentoonstellingen die met grote regelmaat in Europa, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië aan het werk worden gewijd. Turner is niet alleen Engelands beroemdste kunstenaar en kapperszoon, maar ook de meest vercommercialiseerde. En toch blijft een bezoek aan een tentoonstelling van hem altijd een feest, vanwege de virtuositeit waarmee hij het penseel hanteerde, vanwege zijn adembenemendekleurgebruik, maar vooral vanwege de voorstellingen zelf, die je bedwelmen met hun lyriek.

Dat blijkt weer eens in het British Museum, waar een groot deel van het prentenkabinet is ingericht met bijna vijftig van Turners mooiste waterverven. Kim Loan, conservator van het Department of Prints and Drawings, schrijft in de catalogus bij de tentoonstelling dat deze aquarellen tot een van de best bewaarde geheimen van het museum behoren. Dat is een beetje overdreven. Want ook deze aquarellen zijn eerder op exposities te zien geweest, al is het niet vaak.

Dat heeft alles te maken met de herkomst van de aquarellen. In 1958 vervielen ze aan het British Museum, als onderdeel van het legaat van de steenrijke Britse zakenman, bergsportliefhebber en kunstverzamelaar Robert Wylie Lloyd (1868-1958). Lloyd bepaalde dat zijn Turners nergens anders ter wereld te zien mochten zijn dan in het British Museum, en dat dus van bruikleen geen sprake kon zijn. Ook bepaalde hij dat de aquarellen, vanwege hun kwetsbaarheid voor licht, alleen op de laatste twee weken van februari tentoongesteld mochten worden, als de winterzon op zijn zwakst was. Gelukkig voor het British Museum verviel deze laatste bepaling toen het museum lichtregulerende installaties kon aanschaffen in 1971.

Lloyd stond bekend als een lastige, veeleisende baas. Maar een scherp oog (en een ruime beurs) voor aquarelleerkunst, met name vroeg-negentiende-eeuwse landschappen had hij wel. Van Turner kocht hij voltooide landschappen (geen schetsen) uit bijna alle periodes van diens leven en van bijna alle reizen die de kunstenaar maakte. In het British Museum zit je de meester daarom dank zij Lloyd op de hielen.

Van de eerste, nog zeer academisch gepenseelde architectonische bouwwerken in de buurt van Londen, gaat het naar de Alpenpassen, waar hij in 1809 een schitterend italianiserend Meer van Brienz en een feeëriek Kasteel van Chillon schildert. Vervolgens weer terug naar Engeland, naar het Lake District, Wales, dan weer naar Zwitserland, Italië en Duitsland. Onvermoeibaar trok Turner eropuit, tot vlak voor zijn dood. Als kijker raak je de draad kwijt, niet alleen door het grote aantal reizen dat de kunstenaar maakt, maar ook door de zinsbegoochelende schoonheid van sommige van de aquarellen.

Op al die grote waterverven zingt de kunstenaar de lof van het landschap en het licht, dat natuurlijk in laatste instantie bepaalt hoe dat landschap er uitziet. Het is een lofzang die misschien bekend lijkt, maar in Turners tijd revolutionair nieuw.

Neem z'n schipbreuken die, net als bij de grote Franse romanticus Géricault, gepaard gaan met donderend natuurgeweld, maar zich onderscheiden door hun hopeloosheid. Bij Turner op zee stevent ieder wezen zijn ondergang tegemoet. Dat laat de kunstenaar zien in de verf, die hij met eindeloos geduld, laagje voor laagje een peilloos diep aanzien heeft gegeven. Dat toont hij in de zilveren schuimkoppen en de schaduwen in de oksel van de golven.

Op een heel andere plaats, aan de oever van het aan de godin Diana gewijde Nemi-meer in Italië, zorgt de opgebrachte verf ervoor dat het water, de lucht en de omliggende heuvels zinderen. Het is alsof Diana zelf het landschap tot leven heeft gekust. Die illusie roept Turner op, met het meest transparante en vluchtige medium dat er bestaat: waterverf.

Lucette ter Borg

Meer over