‘RELIGIE KAN NIET ZONDER ECHT GOEDE MUZIEK’

Alberto Mizrahi, alias de ‘Pavarotti van de joodse muziek’, is in Den Haag voor een muziekprogramma waarin hedendaagse en traditionele joodse muziek worden samengesmolten....

‘Damn!’, roept de joodse cantor in de repetitieruimte van het Muziektheater. ‘De d! Waar is de d!’ Hij slaat hem eens flink aan op de piano. ‘Rustig’, grapt zijn begeleider, ‘de Gestapo zit ons toch niet achterna?’

Alberto Mizrahi (1948), de voorzanger van de Anshe Emet synagoge in Chicago, repeteert. Wereldberoemd werd deze cantor met een Turks-Griekse achtergrond als de ‘Pavarotti van de joodse muziek’. Beide zangers delen immers een ringbaardje, een royaal bevleesd figuur, en Mizrahi was Pavarotti’s vervanger bij diverse operarollen.

Maar de bijnaam van de Italiaanse glamour-zanger kreeg hij zeker ook om zijn performance. Voor een cantor die in de synagoge zijn ‘flock’ toch vooral religieus moet inspireren, zit zijn optreden opvallend dicht tegen die van een opera-ster aan. Een cantor als podiumdier, met grappen – ‘Ik voelde me al een dinosaurus toen ik 22 was’ – een stevige overtuiging, maar vooral met zijn tenorstem: ‘vurig’, zoals een aanwezige het noemt: ‘Gepassioneerd, spiritueel’.

Hoe het ermee gaat, na de eerste 24 uur in Nederland? ‘Er zijn nog wat moeilijkheden’. En nee, dat is niet vreemd: ‘Traditie en transformatie’ heet het programma Kavanah waarin hedendaagse en traditionele joodse muziek worden samengesmolten dan wel keurig, maar voor Mizrahi is hier een ‘total transformation’ aan de gang: ‘Radicaal, extreem. Mijn hele wereld is ineens anders. Een paar uur geleden zat ik nog in mijn synagoge in Chicago, nu doe ik wat ik nog nooit gedaan heb.’

Het idee ontstond twee jaar geleden, toen Mizrahi triomfen vierde met ‘de drie cantoren’, een concert van drie joodse voorzangers, een knipoog naar de drie Italiaanse tenoren, maar dan met origineel joodse religieuze muziek. Het concert vond plaats in de Portugese synagoge in Amsterdam, maar werd overal in de Verenigde Staten uitgezonden. Componist Benedict Weisser was de muzikaal regisseur en schreef arrangementen van de oude muziekstukken. Muziek die volgens Mizrahi ontzag en eerbied inboezemen, anders dan het vaak wat oubollige genre dat nu doorgaans wordt geproduceerd.

Programmeur Sylvia Stoetzer van Korzo theater in Den Haag wilde kijken of nieuw geschreven joodse cantormuziek ‘minder tuttig’ kon, de spanning van de hedendaagse muziek in zich kon dragen; een invalshoek die volgens haar ‘past bij een algemene ontwikkeling dat componisten invloeden overal vandaan samenbrengen’.

Ze vroeg de componisten Benedict Weisser en Vanessa Lann, beiden Amerikanen die in Nederland wonen, een compositie voor Mizrahi te schrijven, en het koor Cappella Amsterdam, gericht op modern repertoire, om de cantor te begeleiden: inclusief een stuk van Schönberg en Kurt Weill, en twee authentieke cantorale stukken. Alles in het Hebreeuws. (‘Ach’, zegt een koorlid: ‘Wij zijn genoeg rare dingen gewend. Door veel hedendaagse muziek te zingen, leer je zoveel meer dan alleen requiem eternam en dolce.’)

Nodig, vindt Mizrahi het initiatief. Het móet. Want, licht honend, ‘het kan toch niet zo zijn dat de joodse reggaezanger Matisyahu de enige is die vernieuwing heeft gebracht in de joodse muziek?’ Denk je eens in, zegt hij, hoe de joodse muziek was geweest als joodse componisten als Bernstein en Weill ook echt joodse muziek hadden gecomponeerd?’

Boodschappers van God, dat waren cantors in de hoogtijdagen, shaliach tzibur. Mythische figuren, die in de jaren twintig en dertig, in Oost-Europa, triomfen vierden. ‘De ‘‘gewone’’ muziekcultuur’, zegt Sylvia Stoetzer, was voor de Oost-Europese joden gesloten. Voor de joodse gemeenschappen werden de cantors daardoor sterren, zoals operasterren dat voor de andere burgers waren.’

De nazi-vervolging rukte de levende cantorale muziekcultuur uit Europa weg, terwijl hij in Amerika juist op kwam, en nu nog steeds bloeit. Mizrahi is daar zelf onderdeel van. Maar vernieuwing, zegt hij, is noodzakelijk. ‘Religie kan niet zonder echt goede muziek. Er zijn nu misschien zeven cantors wereldwijd die de authentieke cantormuziek zingen. Vernieuwing probeer ik niet alleen te bereiken door lichtere folksongs te laten horen, die iedereen aanspreekt. Maar ook met muziek waarover nagedacht moet worden. Met muziek zoals die hier is gemaakt.’

Componist Benedict Weisser trekt zelfs de vergelijking met funk-legende George Clinton, de man met de lange gekleurde haren en de waanzinnige performances, en wat hier in Korzo gebeurt: ‘Clinton vond de mythologie van de zwarte cultuur, zijn eigen achtergrond, opnieuw uit. Ik wil dat ook doen voor de joodse cultuur.’

Hoe dat te horen is in zijn stuk Kavanah? ‘Dat kan je alleen in samenhang met de oude stukken echt begrijpen’, zegt Mizrahi. Weissers stuk heeft tal van muzikale verwijzingen naar de traditie, maar is verder onmiskenbaar hedendaags, met spannende ritmes en melodielijnen. ‘Niet zo stijf, Alberto’, roept Weisser in de repetitieruimte in het Muziektheater. ‘Meer r & b.’ De cantor knipt met zijn vingers mee, beweegt het lichaam, en laat zijn stem van Pavarotti-niveau naar meer zwoele toonaarden zakken.

‘Je hoort hier in feite een zoektocht van mezelf’, zegt Weisser: ‘de zoektocht van een compleet geassimileerde jood.’ Voor Weisser is de cantorale muziek vooral de muziek van een verdwenen wereld, die tegelijk een onbekend deel van zijn eigen identiteit vormt: ‘Het is een wereld waar ik in mijn jeugd over hoorde. Er zat magie in voor mij. Mijn grootvader was cantor, ik heb een muziekstuk van hem gebruikt in mijn eerste deel. Maar ik kan niet anders dan er naar kijken door de gevangenis van de geschiedenis, met wat er in de 20ste eeuw is gebeurd. Met nostalgie. Die wereld is verloren gegaan.’

Vanessa Lann, de andere componiste die een stuk voor Korzo schreef, benadert die traditie echter vanuit een geheel ander uitgangspunt. Er zijn immers ook andere tekenen. Ook een niet-joods publiek lijkt belangstelling voor de muziek te krijgen. Verschuift de aandacht wellicht van klezmer naar cantor, als onderdeel van een bredere belangstelling voor spiritualiteit?

Lann: ‘Er is belangstelling voor elementen die je zowel in de cantorale muziek hoort, als in het werk van Brian Eno, Eric Satie en John Cage.’ Voor haar is juist dit spirituele aspect van de cantorale muziek uitgangspunt in haar stuk, niet haar eigen joods-culturele achtergrond: ‘In mijn Illuminating Aleph zijn geen citaten en verwijzingen te horen, maar het is opgebouwd vanuit een algemeen spiritueel idee.’

Zij ziet haar uitgangspunt allereerst als een contrast met dat van Weisser, maar tegelijkertijd is het ‘een andere hoek waarmee we naar hetzelfde kijken’: ‘Ik zou mezelf er nooit toe kunnen zetten, ondanks mijn joodse achtergrond – mijn overgrootvader was cantor – om specifiek joodse muziek te schrijven. Wel beschouw ik muziek als spiritueel. Ik werk met herhalingen, repeterende elementen, die een ritueel voor de luisteraar worden: ta-ta-taaa, ta-ta-taaa, ta-ta-taaa. Precies zoals de joodse mysticus Bialik met woorden doet, wiens gedicht ik in dit stuk heb verwerkt. De muziek is gebaseerd op wiskunde, op oosterse filosofie en op de Kabbala. Als je in mijn stuk joodse mystiek herkent, dan heeft het dus in die zin te maken met mijn achtergrond.’

Lann wilde dat Mizrahi ‘zich thuis voelde’ in haar muziek. Ze gaf hem de ruimte om, net als in de cantorale muziek, improvisatie af te wisselen met een vast patroon. ‘Maar dan wel met steeds dezelfde noten: het gaat immers om de herhaling’.

Geheimzinnig, en het lijkt misschien iets traditioneler dan Weisser, zegt een koorlid op de tweede dag over Illuminating Aleph, bij de eerste echte repetitie met koor en musici: ‘Het ging Mizrahi dan ook makkelijker af.’

Voor Weissers stuk heeft Mizrahi nog vier dagen. ‘O my God’, klinkt hij eerst nog theatraal door de zaal: ‘Alleen in een perfecte wereld had ik deze noot kunnen halen.’ Blij kijkt hij echter als later ook Weissers stuk begint te lopen. ‘Die ene al te lage noot wordt er waarschijnlijk uitgeschreven.’ En daar is ook de herkenning: ‘Hoor je: ‘‘Whoeemm’’, roept hij opeens vrolijk, ‘net als in de cantorale muziek’.

Whoeemm? Hij legt het in de pauze uit, in een gangetje achterin het theater. ‘Whoeemm, of hruuum, zo klinkt de inzet van het koor in de synagoge, en dan moet de cantor invallen.’ Hij werpt zijn hoofd achterover, en galmt een salvo van melancholische tonen door de kale gangen. De joodse Pavarotti kan even weer een echte cantor zijn. ‘God is overal’, zegt hij nog snel. En vertelt in een moeite door iets over 16de-eeuwse kabbalisten die door het gras renden, en dat popster Madonna toch echt niet weet wat de Kabbala is.

Dan moet de repetitie verder: want Mizrahi ‘wil niet dat mensen denken: dit is een cantor die iets met moderne muziek probeert.’ Hij wil nieuwe muziek zingen zoals hij muziek in de synagoge zingt: de aard van het stuk begrijpen, de stemming van het gebed voelen; ‘Dat is de betekenis van Kavanah’.


Op 15 december in Groningen; 17 december Amsterdam (Muziekgebouw aan het IJ); 18 december in Theater Kikker in Utrecht; 21 december in Rotterdam, Arminius; 22 december in Den Bosch, Toonzaal.

Meer over