Reizen met Bach

In een jaar tijd reisde dirigent John Eliot Gardiner de wereld rond met alle Bach-cantates. Ze komen nu uit op ruim vijftig cd's,op een eigen label....

'Alléén aan God is de glorie', zegt het motto Soli Deo Gloria waaronder de dirigent John Eliot Gardiner is begonnen aan het uitbrengen van alle religieuze cantates van Bach op cd. Maar gelukkig heeft ook prins Charles nog een aardig handje geholpen.

Anders was de ruim vijftig cd's omvattende Bachserie waarvan Gardiner twee weken geleden de eerste aflevering lanceerde - met op het omslag een bijbels portret van Rembrandt, dat bij nader inzien een in 1999 gefotografeerde inwoner van Kabul blijkt te zijn - niet meer van de grond gekomen, verzekert de Britse oudemuziekspecialist. 'Prins Charles heeft een grote geldschieter voor me gevonden. Hij is een echte supporter, en ik heb hem ook hoog zitten. Tenslotte zijn we allebei boeren. Ik heb hem twee jaar geleden nog een stier geleend.'

Met cantates van Bach reisden Gardiner en zijn English Baroque Soloists and Monteverdi Choir een half decennium geleden van Naarden naar Weimar. Met cantates van Bach stapten ze de Boeing in van Bremen naar Santiago de Compostela. Was de ene novemberzondag nog niet voorbij in het Luthercentrum Wittenberg (cantate 80: Ein' feste Burg ist unser Gott) dan kwam de volgende novemberzondag er al weer aan in de Romeinse Chiesa di Santa Maria Maggiore sopra Minerva. 'De dominee van de Reformatiekerk in Wittenberg zei nog: Breng het Goede Werk naar Rome!'

En jawel, daar zaten de kardinalen op de eerste rij bij BWV 49: Ich geh' und suche. Gardiner reisde twaalf maanden langs historische kerken in Europa, om 198 cantates uit te voeren op de zon- en feestdagen waarop ze volgens het kerkelijk jaar thuishoren. Zijn Bach Pilgrimage 2000 was een 'ongelooflijke puzzel, een zeldzame logistieke onderneming'.

Gelukkig hebben er tussen de nabestaanden van Johann Sebastian Bach (1685-1750) uilskuikens gezeten die zo'n honderd cantates zoek hebben gemaakt. Anders was één Bachjaar niet voldoende geweest voor een opeenstapeling van de verschillende cycli die de immer bezige Bach bijeen componeerde, en hadden duizend schapen en honderdvijftig runderen die Gardiner rond zijn bio-bedrijf in het Engelse Dorset heeft lopen het nog veel langer zonder de baas moeten stellen.

Ook nu is het de veeopzichter die in Dorset een oogje in het zeil houdt, nu Gardiner in Zürich vertoeft voor een operaproductie. 'Hij belde me vanmorgen. Geen vroeggeboorten dit keer. We gaan wel drukke tijden tegemoet. Over twee weken beginnen de eerste koeien te kalven, en dan komen er nog zo'n negenhonderd lammeren aan.'

Alleen al de planning van de Bachpelgrimage bezorgde Gardiner, die met andere Bachvertolkers gemeen heeft dat hij bereisder is dan J.S. Bach, eind jaren negentig een niet eerder gevoelde euforie. 'Van week tot week naar een andere kerk. Van het ene land naar het andere. Reisarrangementen. Regelingen met impresario's. Koor- en muzikantenroosters. Steeds wisselende solistenschema's, omdat je solozangers alleen maar in beperkte periodes mee krijgt. Afspraken over elekriciteit in de kerken. Voorzieningen voor de Nederlandse technici die een jaar lang met ons mee zouden reizen voor de live-opnamen.'

En toen?

'Toen kwam de ramp, en zei de platenmaatschappij, kort voor we van start zouden gaan: We doen het niet.'

Het valt niet mee om als Artist of the Year (Gramophone Award 1994), Klassiek Kunstenaar van het Jaar (Preis der Deutschen Schallplattenkritik 1994), Dirigent van het Jaar (Echo Klassik 1995), Beste Dirigent (Cannes 1995), ofwel 's werelds meest op de plaat gezette musicus sinds Herbert von Karajan ('specialisme': muziek van 1500 tot heden), uit de opnamekalender van Deutsche Grammophon te worden gegooid met je grootste project.

'Een vreselijke opdonder. Maar we hebben het tourneeproject doorgezet, omdat het ons niet in de eerste plaats te doen was om de platen, maar om de intense ervaring van een heel jaar alleen maar door Europa te reizen met Bachcantates, en dan ook met niks anders dan Bachcantates. Een spirituele reis. Wat is Ton trouwens aan het doen met zijn cantates? Is Ton Koopman ook een eigen label begonnen?'

Gardiners Nederlandse collega en concurrent Ton Koopman, die zijn platenproject met 214 Bachcantates heeft uitgesmeerd over tien jaar (Koopmans Japanse concurrent en oud-leerling Masaaki Suzuki doet het in twintig jaar), werd halverwege de cyclus gedumpt door de platenreus Warner/Erato. Koopman nam een hypotheek op zijn huis, begon zelf een label, en kreeg voor elkaar dat hij in die eigen serie ook de opnamen mocht meenemen die Warner al op de internationale markt had gebracht.

'Bravo. Dat moet ik met DG nog zien', zegt Gardiner (61). Zijn maatschappij Deutsche Grammophon bracht na een dreigende rechtszaak en een minnelijke schikking toch nog vier van de vijftig beloofde cd's uit (Gardiner: 'Daar heb ik in toegestemd ja, beter iets dan niets'), en voegde daar als bewijs van goede smaak nog een aantal oude cantate-opnamen van Gardiner in nieuwe verpakking aan toe. Alsof het allemaal zo bij elkaar hoorde.

Gardiner maakte nieuwe afspraken met de opnamecrew, kreeg zangers en musici zover dat ze akkoord gingen met eventuele uitkeringen op royalty-basis, en zamelde privedonaties in onder trouwe Gardinerbezoekers. Tot zijn doe-het-zelf-arrangement hoort ook het productieleiderschap van zijn vrouw Isabella, die nu aflevering voor aflevering in de weer is met de eindmixage van de Bachopnamen die in het jaar van de millenniumwisseling werden gemaakt.

Het reisproject bracht hem 'van week tot week dichter in contact met het brein van Bach, met de manier waarop zijn hersens werkten'. Het sleutelwoord bleek optimisme en loutering. 'Dat brein werkt almaar door naar een omwenteling binnen het individu. Vaak contrasteert hij de ellende van het bestaan met de mogelijkheid van een beter leven, hier of in het hiernamaals. Terribly inspiring.

Solozangers stond hij eigen vormen van vocale expressie toe. 'Zij maken tenslotte de verbinding tussen de tekst, de muziek en het publiek. Mijn functie als dirigent was meer die van coördinator en scheidsrechter, van tekstuitlegger voor de zangers. Een intense leerervaring, voor ons allemaal.'

Nou ja, Gardiner zou Gardiner niet zijn geweest als hij de ariatempi waar zangers mee aankwamen niet sneller, dan wel langzamer had gemaakt. 'We probeerden het uit, en op zeker moment ontstond er dan een consensus, soms pas bij het concert.' Het voerde hem terug naar zijn christelijke wortels. 'Dat schijnt terug te kunnen komen als je ouder wordt.'

'Ik ben niet het soort gelovige dat met bidprentjes of kerkboeken rondloopt. Veel gelovigen zullen mij zien als iemand die er niets aan doet. Mijn geloof is verknoopt met muziek, zo nauw dat ik het niet uit elkaar houd. Mijn spirituele leven heeft vorm via Bach en Schütz en Buxtehude en Monteverdi. Buiten de muziek ben ik er inderdaad niet erg actief in. Ik zeg, met de Franse filosoof Montaigne, dat je beter maar voor alle zekerheid iets kunt geloven, om te voorkomen dat je straks in de stront zit.' Gardiners moeder was een streng opgevoede Quaker, die zich bekeerde tot het Anglicanisme. 'Mijn vader had een bijna pantheïstisch geloof. Hij was een natuuraanbidder. Een boomplanter en bio-boer avant la lettre.'

Dat de rijkdom van de door Bachs brein gefilterde koren, aria's en recitatieven niet zelden berustte op puur praktische gronden ('Als er in Leipzig een verrekt goeie fluitspeler op bezoek was, dan kwam er een verbazingwekkende partij bij voor de fluit; voor hetzelfde geld gaf hij die partij een volgende keer aan een viool'), wist Gardiner junior al sinds hij als 26-jarige leerling van Nadia Boulanger in Parijs de opdracht kreeg Bachs cantate nr 6 uit te voeren. En daar zelf een gezelschap voor bij elkaar te trommelen. Hij speelde zelf de altviool, en betrok zijn koor uit een groep Amerikaanse pianostudenten die in Parijs op summer school waren.

Aan de kreupelrijmen en vullesteksten waar de onfortuinlijke Bach het mee moest doen, stoort hij zich niet meer. De Here die Satan aan gort slaat, jegens de gelovige optreedt als belastingman, dan wel de guurste wihihihihinden laat waaien rond de 'kruisstam' - Gardiner 'elimineert' het, tenzij hij gelegenheid ziet Bachs muzikale buffo-talenten te accentueren. 'Bach zou zeer geestige komische opera's hebben geschreven, als hij de kans had gehad. Hij is het uiterste tegendeel van een saaie Duitser.'

Je hebt Bachliefhebbers die in het geheim hun eigen cantates samenstellen uit de best selection van Bachs koren en aria's. 'Ik ga hetzelfde doen', biecht Gardiner op, de gegymschoende voeten neervlijend op een salontafel. Half februari gaat hij gastcolleges geven in Oxford. Titel: What happened to the Operas of Bach?

'Natuurlijk, hij schreef er geen - of toch? Hoe definieer je opera? Ik pak nummers uit verschillende stichtelijke cantates, en maak er een operaverhaal van. Het begint bij een kasteel. Es erhub sich ein Streit, BWV 19, een ongelooflijke slagveldscène voor dubbelkoor. Van daaruit gaan we naar binnen en zingt een eenzame sopraan haar bloedmooie aria uit BWV 105, Ich sitze, ich huppeldepup. Dan komt er een tenor uit cantate 81. What the hell, een schipbreuk, maar daar is redding.'

Bach hing aan de muur in boerderij Gardiner. John Eliot groeide op met het bekende portret, geschilderd door Hausmann. Dat wil zeggen, met het oorspronkelijke schilderij van Hausmann. Wat in Leipzig hangt, is een kopie. Bachs zoon Philipp Emanuel verkocht het origineel. Eind achttiende eeuw ging het over naar een familie in Breslau. Nazaten van die familie, vrienden van de Gardiners, weken voor de oorlog uit naar Engeland, en vroegen de Gardiners op het schilderij te passen. 'Later hebben ze het verkocht. Nu hangt het in de Princeton-universiteit in New Jersey.'

Gardiner pakt een foto van het schilderij en bedekt de onderste helft van het gezicht. 'Grimmig, die ogen. Verbiedend.' Hij bedekt de bovenste helft. 'Vriendelijk hè, die mond. Humoristisch.' De linkerhelft van het gezicht: oud, ontevreden. Rechts: open, nieuwsgierig.

Naast het polyfone gelaat van J.S. Bach bestond het decor in huize Gardiner uit dansen, gebeden en familiezang voor maaltijden, de grond en de seizoenen. Uit motetten van Josquin en Byrd ('niet zo heel erg goed gezongen'), uit opera, gedirigeerd door John Eliot ('mijn moeder onderwees de Dalcroze-methode voor kindertheater'). En, tot vermaak van het personeel, uit naaktgymnastiek van vader Gardiner op het gazon. 'Het was een origineel clubje.'

Oudoom Balfour Gardiner was een gerespecteerd componist - voor hij zijn oeuvre verbrandde, en met zijn neef, John Eliots vader, in Dorset aan een gemengd bedrijf annex herbebossingproject begon. John Eliots grootvader Alan Gardiner, vertikte dat, en bepaalde zich tot de Egyptologie. 'Hij kraakte de code die toegang gaf tot het graf van Toet-Ank Amon, en ging zelf mee naar binnen.'

Niet gestoken door een dodelijke scarabee, draaide opa Alan tot op hoge leeftijd Chopinplaten voor John Eliot, en speelde jazzviool met hem. Gardiners tante Margaret, kunstverzamelaarster, zwom tot haar negentigste dagelijks tussen de eenden in de vijver van het Londense Hampstead. 'Het was een dynamische familie.'

Roger Norrington dirigeerde als jongmaatje het familiekoor Gardiner, voor hij met John Eliot in het Chelsea Opera Choir van de jonge doe het zelf-dirigent Colin Davis belandde (ze zongen zij aan zij in Berlioz' Damnation de Faust). In die vroege jaren zestig onderbrak John Eliot op zijn beurt een studie geschiedenis en arabistiek, om met studenten uit Cambridge Monteverdi's Maria Vespers uit te voeren. Hij schreef persoonlijk de pers aan.

Na een jaar of twee musicologie wendde hij zich tot de oude componisten- en dirigentenmaakster Nadia Boulanger in Parijs. Die had meteen door dat Gardiner als componist weinig voorstelde vergeleken met Gershwin of Elliott Carter. 'In muziektheorie liep ik ook hopeloos achter, maar toch zag ze iets in me. Ongelooflijk mens. Vanuit mijn kamer aan de Seine zag ik de meirevolte van 1968 over de straten woeden. Ik ging 's avonds naar haar huis, maakte haar wakker en nam haar mee naar een demonstratie van studenten en Renault-arbeiders. De volgende ochtend gaf ze me een volmaakte analyse van de redevoeringen en gebeurtenissen.'

Eenentachtig was Boulanger, en toen Gardiner eindelijk zijn koor en orkest bij elkaar had voor de uitvoering van Bachs cantate BWV 6, viel ze prompt in slaap. 'Misschien maar goed ook. Pianisten zijn abominabele koorzangers.'

Niet onvergelijkbaar met de educatieve daden van Boulanger, gaat Gardiner zijn eigen platenlabel benutten voor 'producties met jonge musici en technici, die in tegenstelling tot mijn generatie van destijds geen schijn van kans hebben om ervaring op te doen op de gevestigde platenmarkt. Het grote platenbedrijf kent te veel opperhoofden en te weinig indianen.'

Meer over