InterviewRegisseur Eché Janga

Regisseur Eché Janga: ‘Het maken van Buladó heeft mij veranderd: ik bén een regisseur’

Het op Curaçao gefilmde en goeddeels Papiaments gesproken familiedrama Buladó opent vrijdag het Nederlands Film Festival. Regisseur Janga vertelt de Volkskrant hoe de film een kantelpunt in zijn leven werd.

Eché JangaBeeld Tom van Huisstede

Eché Janga had het nog niet gezien: dat nieuwsitem over de van oorsprong Afrikaanse activist die een Congolees grafbeeldje uit de vitrine in het Afrika Museum in Berg en Dal poogde te bevrijden, om zo aandacht te vragen voor roofkunst. Het is een variatie op een sleutelscène uit Janga’s nieuwe, op Curaçao gedraaide speelfilm Buladó, waarin een opa en een kleindochter een hoofdtooi van de Caquetio uit een museum pikken, het heiligdom weer in gebruik nemen, en zo de uitgewiste cultuur van de oorspronkelijke bewoners van de Antillen iets van nieuw leven inblazen.

‘O, dat heb ik volledig gemist’, zegt de 42-jarige regisseur. ‘Was dat laatst in het nieuws?’

Janga leeft momenteel in de studio, pezend aan de laatste losse geluidseindjes van zijn film, die vrijdag 25 september het Nederlands Film Festival zal openen; alles wat zich buiten het montagehok afspeelt, is nu even ruis. ‘In de film zegt opa Weljo, als hij geen kaartje koopt voor het museum: ik ga niet betalen voor mijn eigen cultuur. Vond ik wel leuk, dat zinnetje. Buladó is geen activistische film, maar ik kan niet wegblijven van het historische feit dat er zoiets als slavenhandel was, dat mensen hun cultuur is afgenomen, hun taal. Goed, er is Papiaments voor teruggekomen, dat is wel iets moois.’

Janga groeide op in Haarlem als zoon van een als student naar Nederland getrokken Curaçaose vader; hun verdere voorouders komen van Bonaire. En ja, zoals bij heel wat bewoners van dat buureiland kon je ook in deze familie nog wel trekken herkennen van de Caquetio, een volk dat door de vroegste, Spaanse kolonialen als ‘reusachtig’ werd omschreven. ‘Mijn opa had heel grote oren’, zegt de regisseur, met een lach. ‘Bij mij valt het mee.’

In Buladó wordt een beetje Nederlands gesproken, maar vooral veel Papiaments. Er woedt een cultuurstrijd binnen de drie generaties in het familiedrama. Opa identificeert zich tegen het slot van zijn aardse bestaan meer en meer met zijn inheemse voorouders, knutselt van oude uitlaatpijpen een ‘geestenboom’, en converseert enkel in het Papiaments met zijn 11-jarige kleindochter Kenza. Dit zeer tegen de zin van zijn verwesterde zoon Ouira, een weinig spirituele politieagent (‘Jij met je konjo-geesten!’) die zijn dochter Kenza meer toekomst toedicht als ze goed Nederlands spreekt. ‘Die taalstrijd is erg gaande op het eiland’, zegt Janga. ‘Ik begrijp de opa, maar ik begrijp ook de vader, die niet in contact staat met zijn eigen cultuur.’

Het gezin in de film woont met gedrieën op een stoffig, met autowrakken bezaaid erfje in Bandabou, de minder dichtbevolkte en ruige ‘onderkant’ van Curaçao, daar waar forse leguanen tussen cactussen scharrelen en golven op steile rotskusten beuken. ‘De toeristische kant van Curaçao kennen we wel’, zegt Janga, over zijn filmlocatie. ‘Die vind ik minder interessant. En dit is gewoon hoe het er is: iedereen heeft wel een autowrak naast zijn huis liggen. Over de scène waarin er een doodgereden straathond naast de weg ligt, zei iemand van het Filmfonds die het script las: ja, maar die hond die daar dan opeens ligt, is dat niet een beetje toevallig? Die wist niet dat je er om de kilometer een dode hond langs de weg ziet liggen. Ook niet zo gek, hier in Nederland kennen we dat niet.’

Kenza wikkelt het dode dier in de witte bruidsjurk van haar overleden moeder; het is een van de vele krachtige en iets boven de realiteit uitgetilde beelden uit Buladó. Nog een fraai beeld: opa Weljo die zijn woede richt op een in de verte passerend cruiseschip. ‘Een absurd iets toch ook, zo’n soort drijvende kermis vol met malloten? Ze meren ergens aan, vervolgens stromen de mensen er als mieren uit, is de hele stad even wit, en dan wrrrf, zijn ze allemaal weer weg.’

De kern van het verhaal in Buladó, waarin opa Weljo een einde als Caquetio-strijder verkiest boven het wegkwijnen in een verzorgingstehuis, stamt uit een eeuwenoud en mondeling overgeleverd verhaal. Janga kende het niet, maar zijn oom wel. ‘Het is een verbasterde oude slavenmythe. Als je in Suriname of Jamaica vluchtte, als tot slaaf gemaakte, kon je nog de jungle in. Maar Curaçao is gewoon een kale rots, midden in zee. Wie daar vluchtte, stierf bijna altijd; de natuur is er vijandig, er groeit niets behalve doornstruiken. Dat verhaal diende om de moed erin te houden: áls je vlucht, eet dan niet van het zout – ze waren tewerkgesteld in zoutmijnen – en vlucht naar het hoogste deel van Curaçao. Als je daar van de berg afspringt, krijg je vleugels en kun je wegvliegen. Het is zelfmoord, eigenlijk. Maar er schuilt wel hoop in, het laatste restje hoop, om niet steeds te denken: dit is het. Of mensen vroeger écht van die berg sprongen weet ik niet, maar die berg bestaat. We hebben in dat gebied gefilmd.’

Janga’s oom had ooit een kort verhaal geschreven op basis van de mythe: vijf pagina’s waarin hij het oerverhaal had vervlochten met zijn eigen familiegeschiedenis. ‘Eerst zei ik: hoe kom je erop, die vleugels? Wat had je gerookt toen je dit opschreef? Maar het bleek al eeuwenoud. Wat me zo trof, was die wil om zelf je dood te bepalen, en de nabijheid van die dood. Mijn film Helium gaat daar ook over.’

De kern van Buladó stamt uit een eeuwenoud en mondeling overgeleverd verhaal. Beeld Tom van Huisstede

Janga studeerde in 2010 als dertiger af aan de Filmacademie en viel vervolgens op met zijn debuutspeelfilm Helium (2014), waarin een door concurrenten bedreigde gangster op leeftijd (Hans Dagelet) zijn toevlucht zoekt op Texel. Een met twee Gouden Kalveren (Beste camera, Beste muziek) bekroond drama waarin de werkelijkheid iets vervormt, en omgeving en klank de gemoedstoestand van de personages verbeelden.

De opa in Buladó wordt vertolkt door regisseur en kunstenaar Felix de Rooy, als film- en theatermaker een sleutelfiguur binnen de Afro-Caribische cultuur. Diens sterk visuele en spirituele film over de Antilliaanse cultuur, Almacita di desolato, ging midden jaren tachtig in première op het Nederlands Film Festival. Janga: ‘Esther Duysker, de vrouw met wie ik het script voor Buladó schreef, kende Felix al. We zochten een markant figuur. Toen ze hem aanwees, in Amsterdam, zag hij er zo netjes uit dat ik me hem niet helemaal kon voorstellen in deze rol. En toen we hem belden, zei Felix eerst: nee, ik acteer niet. Maar zodra hij het script had gelezen, was hij om: ik bén dit, zei hij. Felix liet meteen zijn haar groeien, zag er almaar verwilderder uit. Zoals je hem in de film ziet, zo liep hij hier ook rond; mensen in Albert Heijn wilde hem geld toestoppen, heel grappig. Er zit ook veel van Felix zelf in de rol, we hebben goed naar hem geluisterd.’

Buladó.

Alhoewel zijn vaders familie van de Antillen komt, voelde Janga zich vooraf niet heel zeker over zijn plan om op Curaçao te filmen. ‘Ik wist dat ik iets moois in handen had, maar ik dacht ook: wie ben ik om dit te doen? Denken ze daar straks niet: hoezo kom jij, die hier niet eens is geboren, dit hier filmen? Maar ik werd omarmd, op Curaçao. Zeker nadat duidelijk werd dat ik een ander deel van het eiland wilde laten zien. Als er daar al iets wordt gedraaid, is het toch weer die witte stranden en de vrolijk gekleurde huisjes op de achtergrond.’

De film bracht Janga een keer of zes naar Curaçao, soms ook maandenlang. Daarvoor was hij er slechts één keer geweest. ‘Op mijn 15de, om mijn familie daar te leren kennen. Tijdens het filmen van Buladó merkte ik dat ik mijn vader beter kon plaatsen. Kleine dingen die ik van hem ken en die ik nu ineens terugzag in andere Antilliaanse mannen. Iets in de omgang, hoe ze bewegen: behoedzaam. Mijn vader is vrij gesloten, hij heeft een moeilijke band met het eiland, geen fijne jeugd. De vaderfiguur in de film is wel een beetje op hem gebaseerd. En zijn vader – mijn opa – was de eerste zwarte agent van Curaçao.’

De ouders van de regisseur scheidden toen hij jong was. Er was thuis weinig geld. Als tiener had Janga een bijbaantje in een videotheek. ‘Ik zag alles. Maar dat je ook filmregisseur kon worden, kwam niet in me op. Dat leek me zoiets hoogs.’ Pas toen hij eens regisseur Erik de Bruyn hoorde spreken, tijdens een gastcollege aan de Universiteit van Amsterdam, werd het beroep voorstelbaar. ‘Wilde mossels was toen net uitgekomen, ik vond echt alles tof aan die film: dat magisch-realistische, die motorscènes, zo’n bankoverval, de paddo’s die de personages nemen, die rare shit, hoe De Bruyn dat rauwe Zeeuwse cultuurtje neerzet. Zoiets wil ik ook, dacht ik. Dat kán ik ook.’

Janga trommelde wat vrienden op, met wie hij een zomer lang huizen verfde om 5.000 euro te sparen: het budget voor hun film. Die horrorthriller werd gedraaid in Ierland, in een piepklein dorpje. ‘Met vijftien jongeren als crew en hulp van de dorpsbewoners. We hebben het gedaan, maar ik kon nog helemaal niet regisseren. Als een opname goed ging, zei ik: nog een keer, want het ging goed. Als het slecht ging, dacht ik: dit is niks, volgende scène. De montage was een ramp – niemand heeft ooit de voltooide versie gezien. Het ruwe materiaal stuurde ik op naar de Filmacademie. Maandenlang durfde ik hun brief niet open te maken, bang voor de afwijzing. Uiteindelijk heb ik het, na twee glazen whisky te hebben weggeklapt, toch maar gedaan. Had ik nog drie dagen langer gewacht, dan was mijn plekje naar een ander gegaan.’

‘Na de Filmacademie heb ik nog lang gedacht dat ik de zaak bedonderde. Dat ik doe alsof, als ik regisseer. Dat ik het eigenlijk niet kan. Heel gek. Het maken van Buladó heeft dat veranderd. Ik bén een regisseur, denk ik nu. Ik weet het zeker.’

Eché Janga dacht na de Filmacademie lang dat hij de boel bedonderde. Beeld Tom van Huisstede

Vertellen zonder woorden

Buladó-regisseur Eché Janga studeerde in 2010 af aan de Filmacademie met zijn korte film Mo. ‘Die ging over de eindigende vriendschap tussen twee jongens, de een zit in het criminele circuit, de ander lanterfant. Ze zitten aan de kade, waar dan een lege feestboot voorbijkomt. De lampjes hangen nog, de muziek staat aan, een man schrobt het dek. Dat je voelt: het is voorbij. Precies zo’n boot zag ik ooit, jaren eerder, in Berlijn voorbijkomen, toen ik aan de Spree het boek van Tarkovski zat te lezen, De verzegelde tijd (waarin de om zijn doorwrochte en mystieke beeldtaal bekendstaande Russische cineast zijn kijk op filmkunst uiteenzet, red.). ‘Ik weet niet hoe, dacht ik, maar dit beeld móét ik ooit gebruiken in een film. Iets vertellen zonder woorden, dat zit in al mijn films.’

Meer over