Redden wat er te redden valt

Dat de foto's in het restauratieatelier van Clara von Waldthausen ook nog iets voorstellen, is eigenlijk bijzaak. Een auto uit 1937, een groepje vrouwen in een polderdorp?...

Ze zit aan de koffie in haar werkplaats, met uitzicht op het IJ in Amsterdam-West. Strak georganiseerd. Een hoek voor eten en drinken, met keuken en koffiezetapparaat. Een hoek voor het bureau, met ordners en computer. In het midden een microscoop. Een hoek voor de camera. En een hoek voor de operatietafel, een wit vlak op wieltjes. Daarop tangetjes, spatels, kwastjes, een petrischaaltje en maatglas. Zakjes hagelkorrels om de patiënten plat te houden.

Dit is niet zomaar een atelier - dit is een ziekenhuis. Von Waldthausen (30) is de eerste gediplomeerde fotodokter van Nederland. Tegen de ziekte die vergankelijkheid heet.

Niet dat ze de foto's die ze binnenkrijgt, van musea en particulieren, weer als nieuw maakt. 'Het is meer stabiliseren dan iets anders', zegt ze. Ze laat enkele van een partij van twaalfduizend zwartwitfoto's zien, afkomstig van Museum Bronbeek in Arnhem. Gescheurde hoekjes, en scheurtjes op de foto waar de emulsie is gebarsten. 'Door de spanning. De ene laag krimpt harder dan de andere, en dus komen er scheurtjes in.' Ze verstevigt de foto's aan de achterkant met Japans papier, met vezellagen die de spanningen uitsmeren over een groter oppervlak. En stopt ze in albums, handig uitneembaar, dankzij haar zelfgevouwen hoekjes. Althans, zelfgevouwen - daar huurt ze een student voor in. 'Tienduizenden hoekjes. Ik zou helemaal gek worden.'

Kijk, zo'n door oxidatie veroorzaakte regenboogverkleuring aan de rand van een Daguerrotype is met elektrolyse wel te verhelpen. Het oxidelaagje wordt dan door een elektrische spanning als het ware van de foto af getrokken. 'Maar dat durf ik nog niet', zegt Von Waldthausen. 'Er zijn nog veel vragen over.' Ze houdt het bij redden wat er te redden valt.

Ze heeft een Nederlandse moeder, maar groeide als Amerikaanse op in Boston, en viel voor de fotografie. In 1994 kwam ze naar Nederland, en ging werken in Museum de Lakenhal in Leiden. Ze was praktisch, vond het leuk om met de objecten bezig te zijn. Iemand zei tegen haar: als ik het over mocht doen, zou ik fotorestaurator worden. Toen viel alles op zijn plaats. Toevallig was er die week een open dag van het Instituut Collectie Nederland, dat datzelfde najaar met een vijfjarige opleiding fotorestauratie zou beginnen. Ze meldde zich aan, mocht toelatingsexamen doen. En werd afgewezen.

'Mijn Nederlands was nog niet zo goed. Ik moest Engelse teksten vertalen in het Nederlands, ik kreeg een 1. En bij scheikunde snapte ik de vragen ook niet. Toen ik de uitslag kreeg, heb ik opgebeld en gezegd: ik wil die opleiding toch gewoon doen. Wat kan ik doen om jullie te overtuigen?'

Ze mocht alsnog komen, onder de voorwaarde dat ze die zomer haar VWO-examen scheikunde zou halen. Zes jaar in zes weken. 'Verschrikkelijk. Ik hoop dat ik nooit meer zoiets hoef te doen.' Haar cijfer? 'Laten we zeggen: ik heb het gehaald.'

Haar afstudeerproject was een inventarisatie van de fotocollecties van 24 Nederlandse instellingen. Dat was schrikken. 'De meeste musea bewaarden hun foto's gewoon bij hun papiercollectie. Maar papier is makkelijk, papier kan je bij 20 graden en 50 procent vochtigheid bewaren. Voor foto's is dat te warm en te vochtig.'

Want een foto, zegt Von Waldthausen, is meer dan zomaar een stukje papier. 'Een foto is een procédé. Niet iets statisch. Een voortdurende chemische reactie.' En zoals met alle chemische reacties, zal ook een foto minder snel veranderen als de temperatuur lager is. Daarnaast vertraagt een lage vochtigheidsgraad de hydrolyse, de reactie van water met de stoffen in de foto, waardoor die verkleurt.

Dus moet het koud zijn, en droog. Dat juiste klimaat is voor Von Waldthausen de belangrijkste manier om de degeneratie van foto's tegen te gaan. Liever voorkomen dan genezen. 'Hoewel ik nooit zal zeggen dat een fotodepot 35 procent en 4 graden moet zijn. Dat wordt veel te duur. Ik zeg liever: maak het zo koud en zo droog mogelijk.'

Inmiddels is het besef doorgedrongen dat preventieve conservering van foto's geen overbodige luxe is, en is er een aantal koele fotodepots. Het Tropeninstituut in Amsterdam heeft er een, het Volkenkundig museum in Leiden, het cultuurverzamelgebouw Coda in Apeldoorn. Maar er zijn nog veel instellingen die geen fotokoeling hebben. 'Het is natuurlijk een kwestie van geld', zegt Von Waldthausen. 'Depots zijn duur, en het geld gaat eerst naar de zichtbare dingen. Een foto-opslagplaats is niet erg sexy. Een bank wil best een tentoonstelling sponsoren, maar een depot? Dat ziet toch niemand.'

Musea zijn er ook niet toe verplicht: voor archieven is er een archiefwet, voor musea bestaat er geen museumwet. 'Ik kan alleen proberen de conservator te overtuigen. En die moet de directie dan overtuigen.'

Gewoon op zoek gaan naar het negatief en een nieuwe afdruk maken is meestal geen optie, zegt Von Waldthausen. Ten eerste hebben ook de negatieven te lijden van de tijd. Na veertig jaar gaat de weekmaker in het cellulose-acetaat zichtbaar reageren, en gaat de film 'tunnelen'. De zuren die vrijkomen tasten het materiaal verder aan. Resultaat: verkruimelde film. 'Dit wordt de komende jaren het allergrootste probleem van de negatiefdragende wereld', zegt Von Waldthausen. 'Wat je kan doen is de emulsie, het beeld dus, loshalen van de drager, een op een nieuwe drager zetten. Wel veel werk.'

Maar dan nog: een herdruk levert een heel ander soort foto op dan het oorspronkelijke werk. 'Foto's uit de jaren zeventig zijn op bepaald papier gedrukt. Veel nuances in het beeld gaan verloren als je het anders doet. Misschien zie je het verschil niet meteen, maar wel over tien jaar. Kun je het dan nog hetzelfde kunstwerk noemen?'

Behalve een goede opslag raadt ze musea ook aan op andere manieren prudent met de kunstwerken om te gaan. Iets minder vaak tentoonstellen, bijvoorbeeld, om de invloed van licht te beperken. En als ze worden tentoongesteld: ervoor zorgen dat dat goed gebeurt.

'Foto's hebben vaak te lijden onder goede bedoelingen. Dat een schoonmaker nog even, pff pff, met de glassex over zo'n plexiglas plaat heen gaat. Hij denkt dat ie iets goed doet, maar weet niet hoe kwetsbaar dat plexiglas is.'

Ze is bezig met een onderzoek naar de veroudering van zulke geplexificeerde foto's. Zo'n beetje elk museum heeft er wel een paar hangen, gemaakt volgens het diasec-procédé, een patent uit 1973. Ze heeft werken gezien waarvan de randen gaan loslaten, ze heeft merkwaardige verkleuringen gezien. In haar atelier annex laboratorium hangt een geplexificeerd onderzoeksexemplaar, waarmee ze, samen met het Instituut Collectie Nederland, dust measurements doet. Plexiglas trekt veel stof aan, en de vraag is hoe dat het beste weg te halen is, en hoe vaak dat moet gebeuren. Morgen komt Bill, om het stof te meten.

Het probleem is dat veel musea niet eens weten wat een geplexificeerde foto is, zegt Von Waldthausen. 'Er staat op het werk meestal alleen een titel, en dat het van huppeldepup is. En dan staat er: 'kleurenfoto'. Maar dat er verschillende soorten papier zijn, verschillende printtechnieken, verschillende materialen voor de lijst. . . allemaal met een eigen chemische reactie.'

Dat gebrek aan chemisch besef begint bij de fotograaf. 'Kunstenaars, ze doen maar wat. De fotograaf heeft geen idee hoe hij de verouderingsprocessen van zijn werk kan beïnvloeden. Kunstacademies geven daar ook weinig aandacht aan. Als je te veel weet, remt dat de creativiteit, is het idee. Technisch tekenen wordt ook niet gegeven, want je moet je eigen stijl ontwikkelen. Maar misschien is meer kennis toch geen slecht idee. Dan heb je als kunstenaar meer keuzes en word je niet beperkt door wat je zelf hebt ontdekt.'

Meer over