Red de collectie in zijn volle gekte

Wat moet er na de val van DSB gebeuren met de kunstverzameling van Dirk Scheringa en het reusachtige museum dat hij daarvoor liet bouwen in Opmeer?...

Wat te doen? Hoe nu verder? Opties voor de toekomst van het Scheringa Museum voor Realisme zijn er de laatste dagen genoeg geventileerd, nu na de DSB Bank ook DSB Beheer failliet is verklaard, en ABN Amro dinsdagavond beslag heeft laten leggen op de kunstwerken uit het museum in Spanbroek. De collectie zou in delen op de veiling moeten worden verkocht ten gunste van alle schuldeisers. Of: de naar schatting 25 topwerken zouden moeten worden ondergebracht in andere musea die een verwante collectie in huis hebben.

Verrassend was het pleidooi van cultuurminister Ronald Plasterk voor een integrale reddingsactie. Hij liet weten de collectie van ongeveer 1300 schilderijen, beelden en tekeningen een ‘prachtige verzameling modern realisme’ te vinden. Indachtig het toerisme, de werkgelegenheid en de streek waar ‘niet zo heel veel cultureels te zien is’, zou de collectie een plek moeten krijgen in het museum in Opmeer, dat speciaal voor de verzameling werd ontworpen, maar waarvan de bouw inmiddels is stilgelegd.

Scenario’s genoeg, maar geen doet recht aan waar Dirk Scheringa echt voor staat. Verdient de West-Fries niet meer eerbetoon? De kunstverzameling van de zakenman, met zijn door velen verguisde smaak, is boeiender dan museaal Nederland ons doet geloven. Niet zozeer vanwege de kwaliteit, maar juist door het gebrek eraan. Daardoor zou een integrale doorstart wel eens interessanter kunnen zijn dan Plasterk zal vermoeden.

Natuurlijk geeft de verzameling een mooi beeld van de Nederlandse kunst uit het interbellum, met aankopen van Carel Willink, Dick Ket, Raoul Hynckes, Pyke Koch en Wim Schuhmacher, het groepje magisch realisten van wie Scheringa een liefhebber bleek.

Belangrijk bovendien was de collectieopbouw die later volgde. Want met name dankzij de inbreng van de vroegere en de huidige directeur, Emily Ansenk en Belia van der Giessen, werd aan de nouveau riche-smaak van Scheringa een meer verantwoorde richting gegeven. Onder het motto ‘vernieuwend realisme’ bouwden Ansink en Van der Giessen wat als een kiem aanwezig was langs diverse kunsthistorische lijnen en verwantschappen uit. In de loop der jaren werd de verzameling aangevuld met buitenlandse verwanten van het werk van Willink en de zijnen, met naoorlogse en moderne varianten op realistische kunst, met fotografie en video. En met werk van internationale grootheden als Lucian Freud, Michael Raedecker, Marlene Dumas en Rineke Dijkstra. Het bleek een gelukkige greep.

Toch is dat maar een deel van het verhaal. Want laten we wel wezen, meer dan de helft van de verzameling bestaat uit winkeldochters en werk van epigonen. Veel schilderijen en beelden hebben nauwelijks een artistieke waarde die langer dan de dag van aankoop mee zal gaan. Scheringa, die het vetorecht op iedere aankoop bezat, had de neiging zijn voorliefde voor het magisch realisme te verwarren met goedkoop sentiment. Bovendien stond kwaliteit voor de selfmade man synoniem voor ambachtelijkheid. Nét echt of net níet echt waren voor hem doorslaggevende criteria voor aankoop. Het hoefde niet precies te zijn nageschilderd, het mocht ook allemaal nep zijn, als het maar wel vakbekwaam was uitgevoerd.

[Zie verder pagina 16]

Grotesk, megalomaan, buiten proportie
[Vervolg van pagina 15]

Met een angstaanjagend gemiddelde van twee kunstwerken per week werden de museumzalen en kelderruimtes gevuld. Het resulteerde in een hybride collectie van alles wat níet abstract is, zonder veel beleid en kwaliteit, getuige de mierzoete, marmeren Baby van Carolien Smit, de volstrekt inwisselbare schilderijen van Jean Rustin, de lolligheid van Richard Stipl of gespeelde naïviteit van Reimond Kimpe, om maar voorbeelden te noemen.

Enige museale allure heeft het merendeel niet. Over de volle breedte biedt de collectie geen artistieke toevoeging op wat de Collectie Nederland in de diverse musea al in huis heeft. Daarvoor zijn de hoogtepunten te summier, de historische gaten in de collectie te talrijk, en is de internationale importantie te gering.

Wat gedeeltelijk voor de verzameling opgaat, geldt in zijn geheel voor Scheringa’s nieuwe museumontwerp in Opmeer. Het nog niet voltooide tempelcomplex aan de Breestraat tart alle smaakpapillen. De combinatie van een bovenmenselijk bouwvolume en stijlkenmerken die het midden houden tussen oud-Egyptische farao- en romaanse kerkarchitectuur, uitgevoerd in oer-Hollandse baksteen en betonconstructies verwant aan snelwegviaducten en sportcomplexen, die combinatie heeft niets met bouwkunst te maken, noch met een museum waarin de kunst centraal zou komen te staan.

Het enige waaraan het gebouw lijkt te refereren is de grootheidswaan van Scheringa zelf. Aan de rand van een woonwijk, te midden van de velden, in de Noord-Hollandse klei, langs de A7 staat een monolithisch onderkomen, dat eenmaal voltooid (de planning was februari 2010) een monument voor de naamgever zelf zou zijn. Grotesk, megalomaan en voor niets anders geschikt dan als een buitenproportioneel statement voor zijn eigen ondernemersschap.

En precies dat zou de toekomstige bestemming en uitstraling van het museum moeten zijn: conform de verzamelwoede van de naamgever zou alles wat hij heeft gekocht en bezat moeten worden opgehangen. Niet omdat het allemaal even waardevol is of kwalitatief goed, maar omdat Scheringa aan alles zijn goedkeuring heeft verleend. Omdat het van hem was. Een museum als ultieme spiegel van de grondlegger. Waar rijp en groen, goed en slecht, oud en nieuw, naast, boven en door elkaar hangt.

Een zo’n omvangrijke hoeveelheid werk moet je niet kunsthistorisch of artistiek presenteren, maar in zijn volle gekte en afwijkende gedaante. Zoals je collecties in het buitenland hebt, opgericht door doldrieste, rijke middenstanders, adellijk gezinnen, failliet geraakte staalmagnaten. Die hun huis hebben ingericht met de smaak en wansmaak van portretten van bevriende schilders, kitscherige landschappen, en een enkele Rembrandt. En dat alles afgewisseld met oude harnassen, gekrulde wandelstokken en een kristallen inktpot.

Ook Scheringa verzamelde meer dan kunst alleen. In zijn collectie bevinden zich de schildersezel van Dick Ket, bruiklenen van de hoed, pallet en schilderskist van Wim Schumacher, de door Raoul Hynckes beschilderde wieg van Paul Huf en het gipsen dodenmasker van Mathilde Willink, plus enkele uitbundige jurken van couturière Fong Leng.

Na Scheringa’s dood zouden daar zijn eerste, met de hand geschreven kasboek aan moeten worden toegevoegd, zijn politiepenning, schaatsen en AZ-parafernalia als petjes, sjaals en voetbalshirts met DSB-opschrift – eventueel aangevuld met enkele door hem persoonlijk ondertekende wurgcontracten en koopsompolissen.

Over honderd jaar zouden museumgebouw en collectie dan een historisch beeld geven van de overdonderende aanwezigheid van de Wognumse zakenman, rond de afgelopen millenniumwisseling. Als een grote uitstalling van memorabilia van een man en een era die binnen de Noord-Hollandse regio en daarbuiten zijn weerga niet kende. Een mausoleum in een knollenveld als tastbare afspiegeling van zijn geest en imperium. Want hoe je het ook bekijkt, de man is wel een buitengewoon fenomeen binnen de Nederlandse cultuur.

Een museum als een tastbare herinnering aan een verbijsterende carrière. Een instelling die dan ook niet het Scheringa Museum voor Realisme zou moeten heten, maar het Scheringa Museum voor Dirk Scheringa. Omdat het niet om een ‘prachtige verzameling’ gaat of iets ‘cultureels’, zoals Plasterk het bezit van Scheringa karakteriseerde, maar om de curiositeit.

Meer over