Rechtsstaat onder vuur

In de jaren zeventig van de zestiende eeuw was Noord-Holland het toneel van felle gevechten. De geuzen die in opstand waren gekomen tegen de Spaanse overheersing, namen bezit van alle steden ten noorden van het IJ....

WAAR GEHAKT wordt vallen spaanders, zeggen de Nederlanders. Je kunt geen omelet bakken zonder eieren te breken, zeggen de Fransen. Zo heeft elke taal haar eigen spreekwoord om uit te leggen dat alles zijn prijs heeft. Het zijn spreekwoorden die partij kiezen. Zeur niet over die spaanders, klaag niet over die eierdoppen, hier staan grotere dingen op het spel.

Dat is meestal ook het standpunt van de geschiedschrijving, en welbeschouwd is daar weinig tegen in te brengen. Zonder verandering is er geen geschiedenis, en zonder de hakkers en de bakkers is er geen verandering. Daarom zullen zij ook altijd de hoofdpersonen blijven. Zij maken het verhaal.

Als we 's avonds naar het Journaal kijken, krijgen we gewoonlijk juist de andere kant van het gebeuren op het scherm: de vluchtelingen en de asielzoekers die de geschiedenis noodgedwongen ondergaan en op eigen lot nauwelijks invloed hebben. Met die zijde van oorlog en revolutie zijn we door aanschouwing vertrouwd geraakt. Dat kleurt onwillekeurig onze historische belangstelling.

Kunnen we zulke beelden ook opvangen uit het verleden? Kan oorlogsleed uit vroegere eeuwen nog zichtbaar en voelbaar worden gemaakt?

De historicus Henk van Nierop, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, wil bewijzen dat het kan, en in die stijl heeft hij de grote Nederlandse oorlog van de zestiende eeuw beschreven, de opstand tegen Spanje. Niet de heroiek, maar de ellende; niet de triomfen van de zegevierende veldheer, maar de miserie van boeren, burgers en landlopers.

De titel van zijn boek luidt: Het verraad van het Noorderkwartier. Dat is de speciale casus die het behandelt. De ondertitel geeft de ruimere doelstelling aan: Oorlog, terreur en recht in de Nederlandse Opstand. Het gaat over de tijd waarin die Nederlandse opstand het karakter droeg van een burgeroorlog in Holland en Zeeland, dus de jaren 1572-1576. Sommigen steunden Willem van Oranje en de geuzen, anderen hielden het met de regering in Brussel en bewaarden de gehoorzaamheid aan de in Spanje zetelende koning Filips II. In Holland ten noorden van het IJ - de regio waarop het verhaal zich concentreert - wisten de geuzen bezit te nemen van alle steden.

Oranje's stadhouder in het Noorderkwartier, Diederik Sonoy, was militair niet tegen de soldaten van Alva opgewassen, maar vooral dankzij het water konden de geuzen zich behoorlijk staande houden. Het hardnekkig volgehouden verzet prikkelde de tegenstander zo sterk dat Filips het plan opvatte de opstand in het Noorderkwartier neer te slaan door middel van totale vernietiging. De heer van Hierges kreeg in 1575 opdracht vanuit Beverwijk noordwaarts op te rukken. Zijn soldaten moesten alles platbranden wat overeind stond, en man noch vrouw, kind noch grijsaard in leven laten.

De aanval slaagde niet. Sonoy had de hele boerenbevolking gemobiliseerd en het land in staat van verdediging gebracht. Hierges kwam er niet doorheen en koelde zijn woede op Oudewater. Die stad onderging wat Noord-Holland bespaard bleef.

Wel verspreidde zich in het Noorderkwartier een gerucht dat de vijand landlopers gehuurd had om enkele dorpen in de as te leggen. Een twintigtal zwervers werd opgepakt en verhoord. Ze ontkenden, werden op de pijnbank gelegd en noemden namen van medeplichtigen. Die werden ondervraagd op dezelfde manier, noemden andere namen, en zo kwamen er steeds meer schuldigen, naar de beproefde techniek van alle folteraars door de eeuwen heen.

De rechters maakten echter één gevangene te veel. De Hoornse advocaat Jan Jeroensz. bleef ook onder scherp verhoor weerspannig en verwierf de bescherming van zijn stadsoverheid. Door ingrijpen van Willem van Oranje kregen de slachtoffers eerherstel.

Uit die korte samenvatting blijkt dat de thema's oorlog, terreur en recht hier inderdaad zijn samengeweven tot één verhaal over de slachtoffers van de burgeroorlog die het Noorderkwartier heeft geteisterd in de jaren zeventig van de zestiende eeuw. Het is een overtuigend relaas, zowel voor de oorlog als voor de terreur.

Het meest actueel is de beschrijving van het oorlogsleed, de lotgevallen van de asielzoekers die samenstromen in Amsterdam, de enige Hollandse stad die buiten de opstand was gebleven. Daardoor liep Amsterdam vol met vluchtelingen, en hun bleef niets bespaard. Ze moesten papieren bij zich hebben, van de hun vijandig gezinde autoriteiten van hun oude woonplaats. Ze moesten onderdak zien te vinden in de overvolle stad. Ze moesten werk zoeken op een arbeidsmarkt die nauwelijks iets te bieden had, zolang de geuzen met hun blokkade handel en scheepvaart onmogelijk maakten. In eigen stad gerespecteerde burgers werden zo teruggezet naar de rang van afhankelijke, half gedulde vreemdelingen.

Toch verkozen deze mensen het hachelijke leven in dat uitpuilende Amsterdam boven eigen huis en haard. Ze hadden daarvoor twee redenen. Deels was het nuchtere berekening. Ze verwachtten dat de opstandelingen zouden verliezen. Het Spaanse leger zou stad na stad veroveren en een strafgericht voltrekken aan de bewoners. Dat was al bewezen in Naarden en Haarlem; het werd in 1575 nog eens bevestigd in Oudewater. Dan was het verstandig de vrede af te wachten in een stad die niet meer veroverd hoefde te worden.

Het tweede motief van deze mensen was dat ze partij kozen in de burgeroorlog. Al deze vluchtelingen waren katholiek. Ze kwamen Amsterdam zelfs niet binnen zonder een getuigschrift van hun parochiepriester. Zo wilde het stadsbestuur voorkomen dat protestantse spionnen zich onder de asielzoekers zouden mengen. Amsterdam was de sterkte en de schuilplaats van de katholieken, omdat de opstand het karakter droeg van een godsdienstoorlog.

IN DE TWEEDE helft van de zestiende eeuw viel nauwelijks iets anders te verwachten. Die periode wordt in de handboeken betiteld als de tijd van de godsdienstoorlogen, en in de Nederlanden maakte dat tijdvak zijn aanspraken op die benaming volledig waar. Natuurlijk betekent dat niet dat er slechts twee soorten mensen bestonden, fanatieke protestanten tegenover vurige katholieken. Zo ligt het nooit bij oorlog of revolutie, en zo lag het ook niet in de Nederlanden.

Na de Reformatie hadden zich geleidelijk aan twee extreme groepen gevormd, die onverzoenlijk tegenover elkaar stonden. Dat waren katholieken en protestanten van het soort dat godsdienstoorlogen uitvecht. Tussen die twee uitersten bevond zich de grote meerderheid van de bevolking. We kunnen daarin wel twee stromingen onderscheiden, één die niet afwijzend stond tegenover het nieuwe, en één die, als zij het dan mocht zeggen, liever alles bij het oude wilde laten.

Zulke middengroepen zijn plooibaar en toegankelijk voor beïnvloeding. We zien dat het duidelijkst in Engeland, waar op koninklijk bevel de kerk enkele malen van kleur wisselde. Verreweg de meeste mensen maakten die veranderingen zonder morren mee. Koningin Elizabeth is de laatste geweest die honderdtachtig graden draaide, en vanaf die tijd gaat Engeland protestant worden. Katholicisme verandert daar dan op den duur in het geloof van een kleine minderheid. In heel Europa is uiteindelijk de keus van de overheid beslissend geweest. De grote middengroep paste zich daarbij aan.

Nederland wijkt van dat algemene patroon niet af, en ik zou zeggen dat niemand dat aan Van Nierop hoeft te leren. Hij zegt zelf dat de opstand slaagde, omdat de gematigde middengroepen meewerkten. Toch is het steeds alsof hij daar eigenlijk niet aan wil. Telkens weer schrijft hij dat de bevolking 'in overgrote meerderheid de oude kerk trouw was gebleven'. Maar trouw onderstelt inzet en toewijding. Trouw betekent volhouden tegen de verdrukking in. Dat is niet de geestesgesteldheid van middengroepen. Die laten eerder de oren hangen naar de winnende partij.

De feitelijke macht op het Noord-Hollandse platteland berustte bij de geuzen. Die genoten dan ook bij de plaatselijke bevolking veel steun, zoals Van Nierop zelf vertelt. Die geuzen echter maakten nooit een geheim van hun fel antiroomse gezindheid. Wie ziel en zaligheid had verpand aan de paus, kon geen geuzenvriend zijn.

Wil je de Noord-Hollanders van die tijd in overgrote meerderheid katholiek noemen, dan bedoel je dat ze geen lid werden van de calvinistische geuzenkerk. Ze probeerden ook daar waar de geuzen de lakens uitdeelden, toch iets van hun middenpositie te handhaven, en dat is ook het veiligste zolang je niet weet wie de oorlog gaat winnen. Maar zo'n afwachtende houding is niet een blijk van werkelijke trouw.

Ze bestonden wel, die trouwe katholieken. Zo iemand was bijvoorbeeld de Hoornse advocaat Jan Jeroensz. Hij was uit Hoorn weggetrokken, nadat de stad voor de prins had gekozen, en had zich gevestigd te Amsterdam. Na enige tijd, misschien twee jaar, besloot hij toch maar weer zijn oude woonplaats op te zoeken. Een warm welkom wachtte hem niet. Bij voorbaat moet hij een verdacht element zijn geweest. Het stadsbestuur legde hem een boete van vijfhonderd gulden op, voor die tijd een enorm bedrag. Toch heeft Hoorn het ten slotte voor hem opgenomen, toen hij slachtoffer was geworden van een valse aanklacht.

Die interventie is op zichzelf niet vreemd. Wel opmerkelijk is het feit dat ze succes had. Als een land op leven en dood voor zijn bestaan moet vechten, neemt publiek gezag gewoonlijk de vorm aan van een militaire dictatuur. Wie dan verdacht wordt van heulen met de vijand, heeft weinig kans van overleven.

In katholieke martelaarsboeken van de late zestiende eeuw staat Jan Jeroensz. vermeld als een heilige, wiens marteldood op 25 juni werd herdacht. Zijn zulke herdenkingen ooit georganiseerd, dan heeft de jonge heilige er zelf aan kunnen deelnemen tot zijn werkelijke dood in 1623. Maar het is ook inderdaad een bijna miraculeuze ontsnapping geweest. Van Nierop geeft drie redenen waarom dit wonder heeft plaatsgegrepen. Ten eerste was Jan Jeroensz. een notabel heerschap, ten tweede kwamen vrienden en verwanten voor hem op, en ten derde besliste uiteindelijk stadhouder Willem van Oranje in zijn voordeel.

Oranje wilde de rechtsstaat handhaven, schrijft Van Nierop; de prins sloot daarmee aan bij het rechtsgevoel van de ontwikkelde burgerij. Daarin lag voor hen de wezenlijke betekenis van de opstand. Nederland moest een land van recht zijn.

Het is een interessante gedachte, en Van Nierop weet van alle kanten bewijsmateriaal aan te dragen: de opvallende procedeerlust van zestiende-eeuwse Hollanders, de eerbied voor privileges, de vele appèlzaken van verongelijkte burgers tegen lagere rechtbanken. Recht ging boven alles. Iedereen was onderworpen aan het recht, ook de overheid. In die gedachte vond de Nederlandse opstand zijn legitimatie.

Vragen rijzen wel. Van Nierop werpt zelf een niet belangrijke tegenwerping op, door zijn stelling te nuanceren: Holland was wel een rechtsstaat, maar niet voor iedereen op dezelfde manier. Tot de Franse Revolutie daarin verandering bracht, was elke Europese staat een standenstaat. De Nederlandse Republiek die uit de opstand werd geboren, kende weliswaar niet veel wettelijk vastgelegde standsvoorrechten, maar justitie was niet vrij van aanzien des persoons. Geboorte en sociale positie gaven zowel klagers als beklaagden een dikwijls beslissende voorsprong op de tegenpartij.

HET BLIJKT OOK in dit Noord-Hollandse proces. Voor de boeren kwam niemand tussenbeide, om van de landlopers maar te zwijgen. Pas met de stadsburgers begonnen de protesten. En dan nog was er verschil. Twee Hoornse burgers waren aangeklaagd, maar de stad trad alleen voor Jan Jeroensz. in het krijt. Doorslaggevend was blijkbaar toch, zoals Van Nierop aangeeft, of je invloedrijke familieleden had.

Maar dat was niet een kenmerk van de Nederlandse samenleving. Rechtspraak met aanzien des persoons bestond overal. Om die te handhaven hoefde je geen burgeroorlog te beginnen. Er moet een belangrijk verschil in kwaliteit bestaan hebben, als Nederlanders ter wille van het recht een opstand begonnen.

Zo'n gewichtig onderscheid zou daarin kunnen liggen dat de onderdaan zijn recht ook kon laten gelden tegenover de overheid. In die richting wil Van Nierop het inderdaad zoeken. Nederlanders vonden 'dat alle overheidsgezag onderworpen was of behoorde te zijn aan het recht, zelfs in oorlogstijd'.

Het kan waar zijn dat Nederlanders zo dachten. Maar als het hun daarom was begonnen, dan is de opstand mislukt. Het is in de zeventiende eeuw herhaaldelijk gebeurd dat burgers op last van de overheid de stad werden uitgezet.

Daaraan heeft de opstand niets veranderd. Wat wél grondig veranderde, waren de kerkelijke verhoudingen. In alle kerkgebouwen ging de katholieke priester door de achterdeur af en trok de calvinistische dominee door de voordeur naar binnen. Maar de godsdienstkwestie speelt volgens Van Nierop geen rol.

Het klinkt vreemd dat de opstand een doel nastreefde dat hij nooit heeft bereikt, maar onverschillig stond tegenover de grote verandering die hij wél teweegbracht. Mij dunkt dat Van Nierop zelf telkens de feiten aanreikt die ons het grote belang van de godsdienstkwestie onder het oog brengen.

Dat geldt in het bijzonder voor het verraad van het Noorderkwartier. De voornaamste bron voor onze kennis van deze affaire is het geschiedwerk van Pieter Bor. Die deelt mee dat de beschuldigingen gemakkelijk geloof vonden bij 'het volk', omdat de beklaagden katholiek waren. Dat was dus hun beeld van de vijand. Katholieken kon je niet vertrouwen.

Wel waren zelfs deze katholieken niet buiten de invloed van de tijdgeest gebleven. Nanning Coppensz. wilde zich in de gevangenis wapenen tegen de verleiding de pijniging te ontgaan door anderen vals te beschuldigen. Hij sterkte zich toen met het Nieuwe Testament in een protestantse vertaling. Dat zou zeker niet elke katholiek hebben gedaan. Nanning was katholiek genoeg om als verdachte op de pijnbank te belanden, maar niet zo katholiek dat hij zich onthield van door zijn kerk verboden lectuur.

De grens tussen Rome en Reformatie was voor hem nog vloeiend. Dat gold voor velen: ze bleven voor beide partijen openstaan. Mede daarom kon de opstand slagen.

De prins van Oranje heeft daarin altijd vertrouwen gehad. Zo veel dat hij recht durfde te doen aan katholieken. Zijn ingrijpen is, denk ik, meer dan een abstract rechtsprincipe van beslissende betekenis geweest. Maar als de lezer zich zelf tot de lectuur zet, geef ik Van Nierop een goede kans. De vriendelijke vasthoudendheid van zijn betoog zal menigeen overtuigen.

Meer over