Rebelse en schuwe Oostenrijkse schrijfster spaart niemand

In al haar gedichten, essays, romans en toneelstukken hekelt Jelinek met virtuoze woordenschat huichelarij en hypocrisie. 'In de taal ontwar je het drama van het leven.'....

'Ik kan me op dit moment niet blootstellen aan mensen', luidde het eerste commentaar van Elfriede Jelinek op de Zweedse radio toen gisteren bekend werd dat ze de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen. Het typeert haar. Jelinek is rebels, uitdagend, omstreden ook, maar tegelijk voelt ze zich 'niet geschikt om in het openbaar op te treden'. De meest geruchtmakende schrijfster van Oostenrijk verstopt zich, bekijkt de wereld met ironie, én bestrijdt de domheid.

Dat doet ze met verve. Haar stijlmiddel is de overdrijving. In haar romans, gedichten, hoorspelen en toneelstukken hanteert Jelinek spotzieke clichés. Taal is voor haar taalspel. Haar roman Gier, 'hebzucht', noemt ze 'een amusementsroman'.

Elfriede Jelinek is op 20 oktober 1946 in het Oostenrijkse Mürzzuschlag in de deelstaat Stiermarken geboren. Haar vader is van Tsjechisch-joodse origine, haar moeder komt uit een gegoede familie uit Wenen. Ze leerde al jong pianospelen - zoals het personage Erika Kohut uit haar verfilmde roman Die Klavierspielerin - en studeerde later enige tijd compositie aan het Weense conservatorium.

Al sinds haar jeugd schrijft ze verzen; haar debuutbundel Lisas Schatten verscheen in 1967. Haar derde boek Michael: ein Jugendbuch für die Infantilgesellschaft (1972) was haar manifest: literatuur is voor Jelinek 'linguïstische rebellie'; ze richt haar woede tegen de dolgedraaide samenleving, 'de verziekte nepwereld van de massacultuur'.

'Ik ken geen belangrijke kunstenaressen met kinderen', zei ze ooit in een interview in NRC Handelsblad. 'Heel af en toe schrijft een vrouw een oeuvre, iets groots, iets gevaarlijks, maar meestal blijft het bij een paar mooie dingetjes.' De wereld is een mannenwereld. Vrouwen, zegt ze niet zonder ironie, 'leggen zich daarbij neer'. Voor het eerst heeft de Zweedse Academie een Oostenrijkse schrijfster bekroond, 'tot veler verassing', zeggen critici. Jelinik krijgt de prijs voor 'haar muzikale stroom van stemmen en tegenstemmen in haar romans en toneelstukken die met een buitengewoon taalkundige geestdrift de absurditeit van de maatschappelijke clichés en hun onderwerpende kracht blootleggen'.

Jelinek analyseert de burgerlijke - lees Oostenrijkse - maatschappij. Als feministe; als marxiste. Van 1974 tot 1991 was ze lid van de Communistische Partij. Ze trekt ten strijde tegen de verstarde Oostenrijkse samenleving van de Schone Schijn. Ze legde enkele jaren geleden, als succesvol toneelschrijfster, de Oostenrijkse staatstheaters een opvoeringsverbod op 'zolang de ultrarechtse Jörg Haider in de regering zit'. Haar toneelwerk is controversieel. Jelinek laat zich kennen als een uitdagende feministe. Voor de oude man in Totenauberg, een stuk over het Oostenrijkse Heimat-denken, stond de Duitse filosoof Martin Heidegger model; in Rastätte (en in haar roman Lust) gaat het over seks en kapitalisme, in haar Haider-monoloog maakt ze toespelingen op de homo-erotische sfeer bij de FPÖ.

In haar werk verbrijzelt ze de taal; in haar theaterwerk gaat het om 'de uittocht van de taal uit het theater', een strijd tegen traditie en burgerlijke literatuur. In de taal, zegt Jelinek, 'ontwar je het drama van het leven'.

Toen ze in 2000 samen met veel andere Oostenrijkse kunstenaars tegen een regering van de extreem-rechtse FPÖ en de conservatieve ÖVP protesteerde, citeerde ze de door haar bewonderde Bertolt Brecht: Nur die dümmsten Kälber wählen ihre Schlächter selber, 'alleen de domste kalveren kiezen zelf hun slachters uit'. Jelinek spaart niemand. In al haar gedichten, essays, romans en toneelstukken hekelt ze met een virtuoze woordenschat huichelarij en hypocrisie.

Wegens ziekte komt Jelinek op 10 december niet naar de uitreiking van de Nobelprijs. 'Ik voel me daar bedreigd.' Mensen, zegt ze, doen pijn.

Meer over