Reanimatie van een mager manneke

De herinnering in Nederland aan Louis Paul Boon (1912-1979) blijft vaak steken in erotische werkjes en koddige parafernalia. Het immense oeuvre van de Vlaamse schrijver is hier te lande maar spaarzaam op waarde geschat....

Na je dood vergeten worden. Veel schrijvers zullen er nietzijn die te kennen geven dit lot te ambiëren, en toch is het deberoerdste optie niet. Want dán is het mogelijk dat een lezermet speurzin een wakkere uitgever aansteekt. Een ooit uitgegevenboek, in welke obscuriteit ook beland, is immers nooit volkomenverloren; in zwijm liggen is iets anders dan gestorven zijn.

Aanzienlijk vervelender dan dat is het halfbakken postumebestaan dat het immense oeuvre van Louis Paul Boon (1912-1979),de zoon van de Vlaamse fabrieksstad Aalst, in de afgelopenkwarteeuw hier te lande leidde. Voornamelijk omdat zijnbelangrijkste uitgever De Arbeiderspers zich in Nederland bevond,werden we nog weleens vergast op een herdruk van een van zijnboeken, meestal als gevolg van een jubileum of een verfilming.Een vaste groep liefhebbers berichtte daarover zonder dat degeestdrift oversloeg op een breed publiek. Voor het overigeverengde de Hollandse belangstelling zich tot de koddige enschunnige parafernalia, die bij ontstentenis van de context - eengedeelde kennis van de hoogtepunten - ten hoogste goed waren voorbesmuikt gegniffel.

Dan wérd er weer een erotisch manuscript uit de nalatenschapopgedolven en met geleerde annotaties gepubliceerd. Een volgendemaal kwam het zelfs tot een bundeling van snaakse bakken, of vanrecepten uit de volkskeuken van de voormalige gevelschilder - zoon van de huisschilder Jef en kleinzoon van deflierefluitende schoenlapper Sooi - die onderstreepte hoezeer hijaltijd de gewone jongen was gebleven. 'Lowieke' van deDendermondsesteenweg, die even verderop in het bosrijkeErembodegem furore zou maken, tot hij in de ochtend van donderdag10 mei 1979 een notitie maakte, opstond van zijn onder'pampieren' bedolven schrijftafel, een kopje oploskoffie zetteen een zelfgerolde sigaret opstak, waarna zijn hart het begaf.Toen zijn vrouw Jeanneke terugkwam van de kapper, vond zij hem.

Zelfs de uitgave in vele delen (bij Houtekiet) van de'Boontjes', de verzamelde cursiefjes die hij jarenlang om denbeboterden brode voor kranten schreef, deed de zaak uiteindelijkgeen goed. Natuurlijk waren die stukjes bij lange na bedoeld nochgeschikt om alle voor het nageslacht te worden bewaard in kloekebanden.

De uitgave van de Boon-doos met een keuze uit zijn 'FenomenaleFeminatheek', zijn met ware verzamelaarsijver bijeengeknipte enin allerhande afdelingen gerangschikte collectie van dames indiverse stadia van ontkleding, leek vorig jaar een voorlopigonovertroffen exces in die treurige uitmelkerij. Het ding werd,op uitnodiging van uitgeverij Meulenhoff, in het LetterkundigMuseum van Den Haag gepresenteerd door de stoutste madam van deNederlandse letteren, Heleen van Royen, die zich aan Boon mochtvergrijpen door ginnegappend naar zijn 'werk' te kijken zondernog een snipper te lezen. De zittende staatssecretaris zou, hadzij interesse voor wat zich op literair gebied afspeelt, hetmuseum vanwege deze spannende expositie nog met een royale schepsubsidie hebben beloond ook.

Prikkelpopjes in de vitrines, dat was aanlokkelijker materiedan de vergeelde typoscripten, omslagen en portretten waar hetLetterkundig Museum doorgaans mee aan komt zetten.

Ziedaar wat er met een schrijver na zijn dood kan gebeuren alshij niet wordt vergeten. De leek zou bij het horen van de naamBoon, die kort voor zijn dood volgens hardnekkige geruchtenNobelprijswaardig zou zijn, alleen nog iets kunnen mompelen van'viezentist', konijn met pruimen en een Vlaamse grol of twee. Teluit je winst.

En nóg is de verschoten zak met flauwiteiten nietleeggeschud. Hetzelfde Meulenhoff probeerde het onlangs opnieuw,met een 'pikante' nagelaten tekst: Eenzaam spelen met Pompon,'een grimmig sprookje dat tot de kern van zijn omvangrijke oeuvrebehoort' - liegt het persbericht. De tekst is in drie kleurengedrukt en doorschoten met collages en 'erotische ikonen' vanveelal voluptueuze naakten.

De feestelijke aankleding laat onverlet dat de tekst nietveel om het lijf heeft. Er zit een teer verhaaltje verscholen indeze herinneringen van de meester van een jongensschool, die 'sochtends in de bus verzot raakt op het meiske Pompon met degrijsgroene ogen en het goudrossige haar, dat stilaan minderonschuldig blijkt dan ze aanvankelijk schijnt. Ze daagt hem uitmet spelletjes als 'neusje-wrijven' en zoentjes die na zekeretijd overgaan in tongen.

Dat is nog te verdragen, maar in de schildering van dekeerzijde van het sprookje wordt Boon alras meliger. Pompon heefteen gesneefde filmster als moeder, die haar dochter een beterecarrière in filmland gunt (daar ze 'mooier nog dan de Velo vanMinus' is), en nog vóór Pomponneke volwassen is, wordt ze eenstuurloos projectiel, een beroemde filmster die in handen komtvan verkeerde mannen (met namen als de Griek 'Manipoulos',boehoe!) en een leven leidt van gebroken huwelijken en misluktezelfmoordpogingen, 'het eerste dat lukte in mijn leven'.

In de verte is een authentieke kern te ontwaren: deovermeesterde schoolmeester is goed neergezet, en het reddelozemeisje weet een snaar te raken met haar in stilte gekniptecollages: 'Uit haar boek van natuurkunde had ze zorgvuldig hetspijsverteringsstelsel weggeknipt en dat nauwkeurig over een inbikini gehulde, de armen geeuwend uitstrekkende covergirlaangebracht. Ze noemde het: het spijsverteringsstelsel van eenfilmster.'

Tegen de tijd dat er wordt verhaald hoe een hot dog-koning(de 'vorst der warme worsten') haar als zijn vijfde vrouw wil,geloven we het wel. Eenzaam spelen met Pompon is een zoveelsteaanbeveling om Boon vanaf nu maar eens góed te gaan vergeten.

Maar precies op dat ogenblik wist De Arbeiderspers de lei,door een begin te maken met de uitgave van het Verzameld werk.In België enkele weken geleden aanleiding voor een item in hettv-journaal, in Nederland vrijwel onopgemerkt gebleven.

Gezien de hiervoor geschetste Werdegang is dat niet raar,alleen wel onrechtvaardig. Want dit is de injectie die hetnaleven van Boon kan gebruiken: met de teksten waar het om gaat,aangeboden in publieksvriendelijke edities, zorgvuldig en verrevan oeverloos geannoteerd, de vrucht van een samenwerkingsverbandtussen de universiteiten van Gent en Antwerpen en DeArbeiderspers. 23 Delen staan op stapel.

Aantrekkelijker kan het ons niet worden bereid. En speelserook niet. Het zopas verschenen deel Te oud voor kamperen? enandere verhalen is deel 5, en nog deze maand zal deel 17 volgen:de editeurs doen er alles aan om ons niet bij voorbaat te latenzuchten bij het vooruitzicht het hele oeuvre van voren af aan temoeten verstouwen.

In het startdeel vinden we een drietal minder bekendeautobiografische verhalen uit de jaren veertig, waarin Boonlosjesweg vertelt over zichzelf, een gevelschilder metschrijfaspiraties, en de sullige nederlagen in zijn armoedigebestaantje. Het plan bijvoorbeeld om met een zelf uit te baten'uitleen-bibliotheek' een fortuin te vergaren, loopt uit op eenslapstick die de enkele, tussentijds geslaakte serieuzeverzuchting een onweerstaanbare charme verleent - Boon wist weldegelijk hoe hij zijn lezers moest paaien!

Zo ziet hij zichzelf dan staan: 'een mager manneke met eenbreuk en een genezende maagziekte die boeken ging uitlenen om eenhalffrankske te kunnen verdienen, in plaats van al vloekende enal tierende de wereld te veranderen'.

Dat is de voorbode van een pessimistisch besef, dat in 1955uitmondt in de novelle Menuet, die als sluitstuk van het eerstedeel het volle pond krijgt. De vrijheidzoekende schrijver, begaanmet de mens zonder macht, die experimentele, onorthodoxe vormenuitvond en een taal hanteerde die door vrome burgers en ditocritici als 'ontaard' en 'uitzichtloos' werd afgewezen, hadtegelijkertijd oog voor het falen in het leven van alledag. Voorde menselijke zwakte, de achterkant van elk gelijk.

In de novelle Maagpijn heeft hij in 1944 een literaire prijsgekregen voor een boek, maar wat koopt hij daarvoor als iedereenin zijn omgeving steunt onder de vloek van de oorlog, en hijzelfaan een maagkwaal lijdt die hem naar een kliniek drijft waar eenChinese dokter geheimzinnig lachend een priem bij hem naar binnensteekt, 'tot ergens aan mijn nieren'.

Mooie plannetjes had een opgekalefaterde Boon even later weer,met zijn al evenzeer dromerige vrienden, maar die'uitleen-bibliotheek' wordt een sof, want de boeken verdwijnenof de leners brengen iets heel anders terug, en als een klant hemtevreden zegt: 'Walschap is onze grootste schrijver', is datmooi, zo'n genietende veellezer, maar toch ook een slag voor onsschrijverke.

En wat hem ook opvalt: in al die psychologische romans uitzijn bibliotheek maken de personages voortdurend kennis met 'heelde wereld', terwijl ze 'in werkelijkheid' slechts kennismaken methun eigen wereld.

Die scheiding tussen werelden slechten, dat is wat Boonbeoogde; als rechtgeaard socialist de wereld veranderen, moedigvoorwaarts gaan - maar in die strijd niet de ogen sluitend voorde struikelpartijen die hem onderweg naar dat doel overkwamen.Zo veranderde hij dan niet de wereld, maar wel de literatuur,door een nieuwe vrijheid te ontginnen in de beschrijvingen vande - dikwijls komische, af en toe tragikomische, soms ronduittragische - botsing van verheven idealen met de weinigverheffende realiteit.

Een proeve van het sappige parlando in 'Uitleen-bibliotheek'moge daarvan een bewijs leveren: 'De volgende dag werd de deuropengeworpen, en wie we daar hadden, het was Morris, de schilder,de man van de betonplaten, met José die babbelde en babbelde indat speciaal Brussels van daar achter het Justitiepaleis, en metde kleine Gerda, die men seffens uit haar koets moest pakken,want het liep van haar billekens af, zodat mijn huis op een tweedrie vol pisdoeken hing.'

De jolijt werkt aanstekelijk, en ook daarom is desamenstelling van dit deel zo ingenieus: op deze taferelen volgtMenuet, waarin Boon na drie jaar huwelijk vader wordt, en hetbesef doorbreekt dat hij die de hele mensheid wil bereiken, inwerkelijkheid op zijn kamertje in kranten zit te knippen en tepeinzen, nog onmachtig om zijn eigen vrouw te naderen. Het boekis verdeeld in drie monologen van personages die met elkaar levenmaar niet samen zijn: de verteller, zijn vrouw en de jonge hulpin huis.

Drie werelden, drie eilanden. Zijn vrouw wil 'vooruit' enwordt onzeker van die stille vent in huis, die wellicht stiekemeen oogje heeft op de hulp. De meid is nog schoolgaand, ervandromend uit de sleur te breken. Zij daagt de vrouw des huizesverbaal uit, en hem, 'een stier die niet wegkan', met haarverschijning.

De impasse van Boons leven vervat in meeslepend proza. Menuetontroert nog altijd, als de verteller zich herinnert dat zijnvader hem lang geleden naar een vreemde stad meenam. Toen weendede knaap zoals nooit meer later, 'omdat al die andere straten enhuizen en mensen bestónden - ja, gewoon omdat zij bestonden enik nooit over hun bestaan iets had vernomen, gewoon omdat zijergens leefden en daar gelukkig konden zijn. () En hoe ouderik werd hoe duidelijker mij dat werd, en hoe intenser ik er omgeleden heb: elk dacht voor zichzelf dat de straatsteen waarophij stond de enige straatsteen ter wereld was. Elk voor zichzelfwas de spil van deze wereld, en ik die dat had opgemerkt werddaardoor van mijn spil weggerukt.'

Wie zijn eenzaamheid zo kan meedelen, deelt haar ook. Eenhalve eeuw later, en 26 jaar na Boons dood, reikt de vervoerdelezer hem moeiteloos de hand.

Meer over