Rauw en teder

Zijn werk werd door beelden voortgedreven, zo zag schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers het zelf. Het waren intense beelden, waarmee hij zijn publiek choqueerde en voor zich innam....

Die moet er al een flinke tijd van oefenen en in stilte herschrijven op hebben zitten, dachten veel lezers en critici die in 1961 het gave verhalendebuut Serpentina’s petticoat van de niet meer zo jonge beeldhouwer en schilder Jan Wolkers (25 oktober 1925) onder ogen kregen. Niets was minder waar, zou hij later opmerken. Hij schreef niet volgens een schema. Het verliep ‘eigenlijk een beetje raadselachtig’. ‘Het komt vanzelf als ik achter de typemachine zit – aan de computer ben ik nooit begonnen. En wat er dan eerst komt, zijn beelden die ooit indruk hebben gemaakt. Je dacht ze te zijn vergeten, maar ze hebben je nooit verlaten. Dat merk je dan. Mijn werk wordt door beelden voortgedreven.’

In overdrachtelijke zin had Wolkers, die in de jaren veertig als beeldhouwer, tekenaar en schilder opleidingen volgde in Leiden, Den Haag en Amsterdam, echter ook als schrijver wel degelijk een leerschool doorlopen. Tot aan zijn 17de, toen hij het ouderlijk huis verliet, was de zoon van de gereformeerde winkelier in fijne vleeswaren, comestibles en delicatessen aan de Deutzstraat in Oegstgeest uitgebreid onderricht in ‘de wetten van dramaturgie, poëzie en dialoog’, alsmede in ‘kennis van de mens’. Nog voordat zijn eerste baardharen doorkwamen, wist Jan al alles af van ‘incest, sodomie, broedermoord, het gruwelijkste bedrog en het verachtelijkste verraad’. Driemaal daags immers las zijn vader, die als de strenge man met Hitlersnor figureert in de verhalen, voor uit de Bijbel, met zoveel vuur en eerbied, dat er geen passage mocht worden overgeslagen. Met alle gevolgen van dien.

Hoeveel afkeer Wolkers ook zou opvatten voor de hardleersheid, het moralisme en de bekrompenheid van veel streng gelovigen, in zijn hele leven en werk zou hij zijn dankbaarheid blijven betuigen voor de kennismaking met de gebeeldhouwde taal en de onvergelijkelijke beeldspraken uit de Bijbel. De invloed die daarvan uitging, was voor hem minstens zo belangrijk als zijn aangeboren gevoeligheid voor observeren, en het talent om die scherpte vervolgens gestalte te geven in intense beelden – of dat nu in verf gebeurde, staal, glas (het Auschwitz-monument, 1977), of in woorden.

Door zijn godsdienstige opvoeding leerde hij ‘alles zinvol te beleven en te zien’. ‘Om te leven alsof ik onsterfelijk ben, terwijl ik me er terzelfder tijd van bewust ben dat ik ieder moment in de aarde weg kan zakken om voor eeuwig tot stof terug te keren’, zoals hij schreef in het programmatische essay Op de vleugelen der profeten, opgenomen in de bundel Tarzan in Arles (1991), die werd bekroond met de Busken Huet Prijs.

Toen hij een jaar of acht was, ging de kat dood. Vader begroef het beestje in de brandgang zonder rouwplechtigheid, maar zei nog wel, terwijl kleine Jan toezag hoe ‘bij iedere schep aarde meer van de lapjesvacht verdween die ik zo vaak gestreeld had’, dat dieren niet in de hemel komen, omdat ze geen ziel hebben. Vanaf toen voelde zoon Jan, de latere lijstduwer van de Partij voor de Dieren, zich wat hij van nature wellicht al vanaf zijn geboorte was: atheïst. ‘Zonder dier geen hemels vertier.’ Dieren geen ziel! Dan hadden ze nooit goed in de ogen van zijn kat gekeken.

‘Trouwens, als je het trage temende gebalk dat het uitverkoren volk Gods zondags tijdens de kerkdienst in psalm na psalm uitstootte, vergeleek met de zuivere zang van de eerste de beste merel, zou ik wel eens willen weten wie er bezield was en voor wie, alleen al om Bach en Handel niet gillend met hun handen tegen hun oren naar de hel te verdrijven, de hemelpoort potdicht moest blijven. En zonder aarzelen ging ik in het geheim door mijn beminde hazelwormen en lievelingspadden nadat ze de geest hadden gegeven (requiespad in pace) ceremonieel te begraven, verpakt in een doodswade van bloemen en met een kruis van twijgen aan het hoofdeinde van hun laatste rustplaats.’

In de jaren zestig braken de dijken van zijn schrijverschap door en gulpten alle beelden naar buiten: hoe de elf kinderen onder begeleiding van hun ouders op de dag des Heren naar het strand wandelden om te gaan pootjebaden; de dood van zijn broer Gerrit (22) aan difterie, in 1944; de dood van zijn dochtertje Eva (2) aan de gevolgen van een ongeluk, in 1951; de inspirerende natuur rond kasteel Oud-Poelgeest; de lessen aan de Leidse tekenacademie in de oorlog.

Een spervuur aan romans en verhalen bezorgde hem door het openhartige taalgebruik en de ogenschijnlijk weinig fijnzinnige inhoud de reputatie van onbehouwen provocateur – en maakte hem mateloos populair onder jongeren, die toen massaal afscheid namen van de behoudende mentaliteit van de eerste jaren na de oorlog. Kort Amerikaans (1962), Een roos van vlees (1963), Terug naar Oegstgeest (1965) en Turks fruit (1969).

Men smulde van de gulle plastiek en tomeloze energie die van Wolkers’ boeken spatte. In de jaren ervoor had hij alle beelden in zich opgeslagen en verwerkt, het moest eerst bezinken en zijn bedding krijgen, om ze er met verdubbelde kracht uit te smijten. De afrekening met het gereformeerde geloof en de hartstochtelijke liefde voor dieren, de verknoping van Eros en Thanatos, de seksuele vrijheid en het onburgerlijke kunstenaarschap: het was kennelijk nogal veel ineens, in een land waar schrijvers dikwijls werden geassocieerd met zolderkamers, ernst, en het geduldige en subtiele schrappen en schrapen.

Niets daarvan bij Wolkers: die kwam op tv, voerde actie tegen Vietnam, racisme, apartheid, dierenmishandeling, maakte schilderijen met echte koeienstront, waarin hij zijn handen wellustig liet rondgraaien, en blies je in zijn proza bijkans omver. De reuzenletters en felle kleuren van zijn boekomslagen, ontworpen door Jan Vermeulen, leken de heftige inhoud al aan te kondigen. Deze schrijver was geen bescheiden jongen. Deze artiest wilde opvallen.

Het zou om die reden kunnen zijn dat hij, hoewel een bestsellerauteur die voortdurend in de belangstelling stond, lange tijd niet op waarde is geschat. Toen hij in 1982 eindelijk de Constantijn Huygens Prijs voor zijn oeuvre kreeg, weigerde hij die: ‘Als je bedenkt dat ik twintig jaar bijna elk jaar een meesterwerk heb geschreven, denk je bij jezelf: ben ik tot dit niveau afgezakt? Dat ze mij prijsjes gaan geven? Ze hebben mij een gelukstelegram gestuurd. Het had beter een rouwtelegram kunnen zijn. Er stond ‘stop’ achter. Ja, dat roep ik ook: stop, stop!’ Ook de P.C. Hooftprijs van 1989 hoeft hij niet: ‘Ik zie liever dat critici gedegen kritieken schrijven over mijn boeken.’

Die afwijzingen, die publiciteit genereerden, waren natuurlijk ook een vorm van aandacht trekken, maar niettemin serieus bedoeld. De literaire kritiek kon de dubbelkunstenaar lange tijd maar moeilijk plaatsen en stoorde zich aan de luidruchtige metaforiek en zinnelijke taferelen, waardoor zijn werk in kringen van connaisseurs nogal eens werd afgeserveerd als vies en sentimenteel. Dat de beelden die Wolkers opriep eerst waren verwerkt, en dat hij niet choqueerde om het schokeffect alleen, dat wilde er maar moeilijk in.

Niet voor niets was hij erg verguld met het essay dat Hella S. Haasse in 1985 aan zijn oeuvre wijdde (Een netwerk van beelden), waarin zij schrijft over Wolkers’ ‘begeerte naar zuiverheid’ en stelt dat zijn verhalen schokken vanwege de discrepantie tussen de onschuldige, onbevangen waarnemer enerzijds en de gruwelen en ongerijmdheden die hij waarneemt anderzijds.

Vrij van schaamte en schuld proberen te zijn, zoals je dat bij dieren aantreft, het leven gretig omhelzen, misschien wel des te hartstochtelijker in het besef dat er ooit een einde aan komt – dat verlangen spreekt uit Wolkers’ werk, en dat maakt van hem veel meer dan een activist in het slechten van taboes. ‘Ze doen vaak net of ik alleen maar over seksualiteit heb geschreven’, zei hij in 2005, ‘terwijl de dood veel pregnanter is’. ‘De dood is de reden waarom we leven. Als er geen dood was, dan kon je driehonderd jaar worden, terwijl je kinderen al tweehonderd jaar in de AOW zitten. Daar moet je toch niet aan denken. De dood is zo’n mooie oplossing, eigenlijk.’

Het verdriet om een verloren grote liefde (zijn tweede vrouw van wie hij in 1960 scheidde) zette hij in zijn grootste succes Turks fruit om in een herbeleving van de extreme verbondenheid met haar; Olga in dat boek. Misschien daarom ging het door voor een seksboek vol schuttingwoorden en blasfemie, terwijl het verhaal over hun liefde is omkaderd door een rouwrand: Olga is weggegaan, krijgt kanker en sterft. Niet bang voor grote woorden, voor tedere rauwheid of rauwe tederheid (in het evenwicht tussen die twee zo moeilijk te verenigen gesteldheden was hij een grootheid), schildert Wolkers zijn requiem voor een teloorgegane liefde. Doordat het verval en de dood er ook zijn, altijd dreigend of zelfs aanwezig, moet je de liefde grijpen wanneer zij zich aandient. Dat is de kern van Turks fruit en die tekent Wolkers net zozeer als de uitbundig gekwaste neukpartijen.

Een vieze man, ach, dat vonden ze van Rembrandt vaak ook, schreef hij later: ‘En dat was hij, gode zij dank, van tijd tot tijd misschien ook wel. Er wordt bij Rembrandt nogal eens vrijpostig gecohabiteerd. In schaduwrijke houtwallen of grazige bermen treft de argeloze toeschouwer soms ineens een paartje aan met op- en afgeschorte kleding dat, zoals de moderne mens dat zo fijnzinnig noemt, zich even onledig houdt met een vluggertje. Maar nooit vlug genoeg om de tekenstift of burijn van de meester te ontlopen.

‘Zelfs op verheven voorstellingen als De Prediking van Johannes de Doper kunnen honden het niet laten om naar een emmer koud water te solliciteren. Alsof bij zoveel overstelpend geestelijk leven de natureelste beweeglijkheid toch ook aan zijn trekken moet komen. Want Rembrandt wist maar al te goed dat zelfs op de dag des oordeels er geliefden in elkaars armen zouden verzuchten tegen de engel met de bazuin, ‘Nog even. We zijn bijna klaar* voor de eeuwigheid’.’ Wolkers’ essays over Rembrandt bewijzen hoe goed hij kon kijken, niet alleen naar de natuur, maar ook naar werk van anderen (als pleitbezorger van bewonderde vakbroeders was hij ongeëvenaard royaal). Tegelijk zijn ze te lezen als verstolen zelfportretten.

Na zijn verhuizing in 1981 van Amsterdam naar Texel, waar hij en zijn derde vrouw Karina de tweeling Bob en Tom kregen, groeide Wolkers uit tot een altijd gevatte en spontane publiekslieveling, evenzeer belezen als authentiek onbevangen en nieuwsgierig, die als schilder en beeldend kunstenaar onverminderd actief bleef, terwijl zijn literaire arbeid zich hoofdzakelijk beperkte tot het schrijven van essays en gedichten.

Journalisten kregen immer een hartelijk onthaal in huize Pomona, en de kleinsten onder zijn fans ontroerde hij met de tv-serie (in 2002) en de verhaaltjes waarin hij door zijn ‘achtertuin’ wandelde en geestdriftig (‘Moet je kijken! Mooi hè!’) de kevertjes, egeltjes, kikkervisjes, zijn eeuwig groene Japanse gingko en de spuugbeestjes aanprees als de kunstuitingen der natuur.

De laatste jaren werd zijn bibliografie uitgebreid met de uitgave van vroege dagboeken, en de brieven die hij in de jaren 1946-1949 aan zijn Leidse jeugdvriend Wim de Klèr schreef (Ach Wim, wat is een vrouw?, 2005). Bij herlezing verbaasde het hem hoezeer zijn karakter toen al was gevormd. De natuur, kunst, meisjes, het geloof, de bezeten omgang met dichters als Rilke en Achterberg: het zat er allemaal al in. In april 1947 schreef hij als 21-jarige vanuit Oegstgeest aan zijn vriend, die als militair in Indië zat: ‘Mijn sterven zal de bekroning zijn op alles. O, als ik sterf, breng me dan onder de eiken, leg me neer op het mos en bloemen. En niets te horen dan de zang der vogels, of uit een ver open raam waar een bleke vrouw over de ivoren toetsen buigt het eerste pianoconcert van Tsjaikovsky of het thema uit de ‘onvoltooide’ van Schubert. En dan te voelen, terwijl alles om je heen ontbloeit, dat de stof onsterfelijk is, dat je alleen maar overgaat van de ene in de andere vorm.’

Laat de sterveling rustig wegsluimeren, schreef Wolkers in een mijmering over de dood, gepubliceerd in het Volkskrant magazine van 24 december 2005: ‘Onderbreek zijn vlucht niet met gewauwel. Geen rouwklagers in de straten. Waar je valt daar lig je.’ Je geest is maar een ademtocht. Hij dacht niet dat Rembrandt op zijn sterfbed handenwrijvend had gedacht: ‘Die Nachtwacht komt straks in elk geval op alle koekblikjes van Nederland te staan.’ Maar misschien, zei hij, ‘is de tijdelijkheid van je bestaan minder vergeefs geweest.’ Hoewel ook dát ijdelheid der ijdelheden was, zoals hij zichzelf corrigeerde met een citaat uit de Bijbel.

‘Wie drukt mij in de cirkel der voleinding’, dichtte hij ongewoon sober in ‘Zelfportret zonder kik’ (uit Wintervitrines, 2003): ‘Een kraai krast dat het is volbracht./ Ik sluit mijn mond en geef geen kik,/ Dit is de dood en dat ben ik.’

Geen leven na de dood dus. En ook geen hemel. Toen hij op zijn 79ste het Boekenweekgeschenk Zomerhitte had geschreven, vroeg ik hem thuis op Texel wat er zou gebeuren als die hemel – anders dan hij verwachtte – toch zou blijken te bestaan. Lachend kwam het antwoord, uitgesproken met zijn karakteristieke, ietwat slepende, astmatische neusstem: ‘Dan weet ik zeker dat er ineens een oude baas naar voren zal stappen die zegt: Het spijt me voor de anderen, maar is hier ook ene Jan Wolkers? Want die is uitverkoren.

Boeken

1961

Serpentina's Petticoat (verhalen)

1962

Kort Amerikaans (roman)

1963

Gesponnen suiker (verhalen)

1963

De Babel (toneel)

1963

Een roos van vlees (roman)

1964

De hond met de blauwe tong (verhalen)

1965

Terug naar Oegstgeest (roman)

1967

Horrible Tango (roman)

1969

Turks Fruit (roman)

1971

Groeten van Rottumerplaat (autobiografische documentaire)

1971

Werkkleding (autobiografische documentaire)

1974

De walgvogel (roman)

1975

Dominee met strooien hoed (novelle)

1977

De Kus (roman)

1979

De doodshoofdvlinder (roman)

1980

De perzik van onsterfelijkheid (roman)

1981

Alle verhalen

1981

Brandende liefde (roman)

1982

De junival (roman)

1983

Gifsla (roman)

1984

De onverbiddelijke tijd (roman)

1985

22 sprookjes, verhalen en fabels

1988

Kunstfruit en andere verhalen

1989

Jeugd jaagt voorbij

1991

Tarzan in Arles (essays)

1991

Wat wij zien en horen (verhalen, samen met Bob en Tom Wolkers)

1994

Rembrandt in Rommeldam (essays)

1995

Zwarte Bevrijding (Boekenweekessay)

1996

Icarus en de vliegende tering

1997

Mondriaan op Mauritius (essays)

1998

Terug naar Jan Wolkers (bevat: Kort Amerikaans, Een roos van vlees en Terug naar Oegstgeest)

1998

Het kruipend gedeelte des aardbodems (rede)

1999

Omringd door zee (columns)

1999

De spiegel van Rembrandt

2000

Een cilinder vol zeegeruis (lezing)

2003

De achtertuin

2005

Zomerhitte (Boekenweekgeschenk)

2005

Dagboek 1974 (dagboekaantekeningen)

2005

Ach Wim, wat is een vrouw? (brieven aan een jeugdvriend)

2006

Dagboek 1969 (dagboekaantekeningen)

2006

2 Texel: Drummers Double Bill & Jan Wolkers (CD - Drummers Double Bill)

2007

Dagboek 1972 (dagboekaantekeningen)

2007

Waddenboek

Meer over