Randfiguren over de moord op Caesar

Volgens de Hongaarse meesterverteller Sándor Márai (1900-1989) is er ooit een tijd geweest dat uitgevers hun schrijvers niet betaalden, maar wel aan een rijke vrouw hielpen, door een afspraak te regelen met een van die 'naar cultuur dorstende, enthousiaste oude tangen' die maar al te graag een schrijver als minnaar wilden.


Márai (Gloed, Bekentenissen van een burger) moest hiervoor wel terug naar het Romeinse rijk, naar de nacht volgend op de dag waarop Julius Caesar werd vermoord (44 voor Chr.). In zijn roman Er is in Rome iets gebeurd voert hij een groot aantal randfiguren op die allemaal gehoord hebben dat er 'iets' is gebeurd, maar geen van hen durft het onbenoembare te benoemen.


Aan het woord komen een gulzige juwelier, een jaloerse eunuch, een praatgrage prostitué in ieder een eigen hoofdstuk.


Dit levert nu eens fascinerende, dan weer enigszins moeizame literatuur op, als lees je monologen die eigenlijk voor het podium bedoeld zijn. Zo spreekt men elkaar wel erg vaak met naam en toenaam aan, om maar duidelijk te maken wie er aan het woord is. Ook trapt Márai in de valkuil van zijn overvloedige research. Dan houdt een ijdele dokter een verhandeling over de medische wetenschap alsof hij er zelf tweeduizend jaar later op terugkijkt.


Het slot maakt veel goed, als een schrijver zijn uitgever betaling vraagt voor zijn werk. Hoongelach is zijn deel, maar de uitgever helpt hem wel aan een geweldig idee. Waarom geen verhaal over deze belangrijke dag schrijven? Maar dan zo 'dat de lezers begrijpen dat de geschiedenis niet de oorlog is, niet het bekvechten in de senaat... Schrijf de andere geschiedenis op, de echte.' Waarvan akte.

Meer over