Rampjaar 1672

Markante, emotionele Rampjaar-verslagen

Een briefwisseling als ondergrond voor een geschiedschrijving - is dat een werkbare formule? In het boek van Luc Panhuysen over Nederland in 1672 pakt het goed uit.

Margaretha Turnor (1613-1700), kasteelvrouwe van Amerongen, schreef vellen briefpapier vol over haar kleinkinderen, haar geliefde zoon, haar weerspannige schoondochter en de verbouwing van haar riante behuizing. Maar ze moet ook met een onstilbare nieuwshonger hebben geschreven over de gang van zaken in de Republiek der Nederlanden in het hectische jaar 1672 en daarna. Ze hield de gebeurtenissen goed bij. Ze 'ontplooide haar eigen nieuwsdienst', schrijft de historicus Luc Panhuysen in Rampjaar 1672 - Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte.

Margaretha stuurde honderden 'missives' aan haar man, de diplomaat Godard Adriaan van Reede (1621-1691), die zich als prominent onderhandelaar namens de Staten-Generaal in Duitsland een slag in de rondte werkte om zijn vaderland uit de problemen te helpen. De Republiek was in oorlog met Engeland, Munster, Keulen en Frankrijk - met Lodewijk XIV als grootste antagonist.

De Franse zonnekoning wilde wraak voor de Spaanse Nederlanden - het huidige België - die door de Republiek als bufferstaat werden gebruikt tegen de Fransen. Hij wilde ook de glorie van de zege, die natuurlijk op Zijne Doorluchtigheid moest afstralen. Het land van boeren en haringkakers moest dus bij Frankrijk worden ingelijfd.

Panhuysen heeft het Rampjaar ruim genomen. In 1672 voltrokken zich weliswaar de bekendste gebeurtenissen - de Franse aanval, de volksopstanden, de moord op de gebroeders De Witt - maar begin 1673 was de oorlog nog niet eens op de helft. Hij koos voor een Rampjaar van zeventien maanden, ook al omdat hij zo meer aandacht kon geven aan de internationale politiek en de diplomatie, 'die in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het overleven van de Republiek'. Overigens werd de oorlog pas in 1678 definitief beëindigd met het Verdrag van Nijmegen.

Voor zijn boek maakte Panhuysen dankbaar gebruik van de omvangrijke briefwisseling tussen Margaretha, haar man en hun zoon Godard, een hoge militair die het uiteindelijk tot generaal-majoor zou schoppen in het leger van stadhouder prins Willem III, de latere koning van Engeland. Een groot deel van die correspondentie wordt bewaard in het Utrechtse Archief. Ambassadeur Godard Adriaan had zijn brieven keurig geordend: 16 dozen met elk 80 tot 100 verstuurde brieven, en 70 dozen met ontvangen missiven, exclusief de 7 en 6 dozen met brieven van respectievelijk Margaretha en zoon Godard. 'Wie leest wat zij elkaar schreven', schrijft Panhuysen, 'beluistert een driehoeksgesprek.' Dat 'driehoeksgesprek' vormt zo'n beetje de basis van zijn boek.

De kasteelvrouwe van Amerongen volgde het nieuws over de oorlog, te land en ter zee, op de voet, aanvankelijk binnen de veilige muren van haar riante slot, daarna noodgedwongen, vanwege de oorlog, in een huurhuis aan de Nieuwe Herengracht in Amsterdam, en uiteindelijk in de familievilla aan de Kneuterdijk in Den Haag, vlak bij het Binnenhof. Ze berichtte haar echtgenoot in markante en emotionele zinnen (aldus Panhuysen) over de Waterlinie die tegen de vijand was opgeworpen, over de troepenbewegingen van de Fransen, hun arrogantie en hun wreedheden, ze schreef hem over het boze gewone volk dat in 1672 'lafhartige' Nederlandse regenten met toenemend geweld belaagde, in sommige plaatsen de sleutels van de stad in beslag nam en op 20 augustus de gebroeders Johan en Cornelis de Witt bij een lynchpartij in Den Haag letterlijk aan stukken scheurde.

In 1673, toen ze 60 werd, had ze haar nieuwsgierigheid nog niet verloren, schrijft Panhuysen. Ze bleef nieuwsbrieven schrijven. Den Haag, hoofdstad van de diplomatie, was voor haar the place to be. Brieven uit alle windstreken, van Londen tot Instanbul, kwamen daar samen. Op en rond het Binnenhof legde Margaretha haar oor te luisteren, raadpleegde haar netwerk en toog tegen de avon

d met een schat aan informatie naar huis. Daar ging ze aan haar schrijftafel zitten en 'wrong zich helemaal leeg' in haar brieven aan Godard Adriaan.

Zij schreef volgens Panhuysen zoals de nieuwsmedia van haar tijd dat deden: net als bij de Oprechte Haerlemse Courant en de Amsterdamsche Dingsdaegsche Courant stond het oude nieuws op de eerste bladzijde bovenaan en groeide de actualiteit naar onderen, niet zelden met een PS'je waarvan haar man in Duitsland niet geruster zal zijn geworden. Zoals: '...dit is 's avonds de klok halfnegen, men zegt dat Maastricht wordt aangevallen.'

Een briefwisseling als ondergrond voor een geschiedenisboek - is dat een werkbare formule? In Rampjaar 1672 pakt het goed uit. Door de vele perspectiefwisselingen krijgt Panhuysens geschiedschrijving een aantrekkelijk karakter. Daar komt bij dat de auteur zich laat gelden als een gedegen historicus met een groot gevoel voor aansprekende details. Zijn verslaglegging is heel precies en meeslepend. Dat zie je terug in de hoofdstukken over de volksopstanden tegen de Republikeinse regenten, de moeizame opbouw van de Waterlinie, de cruciale strijd in het gebied Woerden-Alphen, de Franse gruwelen tegen de weerloze bevolking van Bodegraven en Zwammerdam, de Republikeinse herovering van Naarden en daaromheen de diplomatieke manoeuvres - en deconfitures - aan het hof van de Brandenburgse keurvorst Frederik Willem, die uiteindelijk samen met de Weense keizer Leopold een sleutelrol zou vervullen in de aftocht van Lodewijk XIV.

Panhuysen heeft een ronkende, opbollende schrijfstijl die tot doorlezen noopt. Maar soms grijpt hij lelijk mis. Dan schrijft hij over Margaretha's brieven: 'Wie haar ademloze monologen leest, heeft nog lang daarna haar uitroepen in meisjeshandschrift op zijn netvlies.' Ergens anders 'gaf' Margaretha 'nieuw onheil in de pen', en schrijft de auteur over kapotte tijden en over iemand die belangstelling vertoonde. Daar had dus nog wel even een redacteur van de uitgeverij overheen mogen gaan.

Meer over