Raffinement in keuze liederen

Carte Blanche voor Thomas Hampson. Liederen van Mahler, Strauss e.a.. Ook met Barbara Bonney en Wolfram Rieger. Concertgebouw, Amsterdam, 29 september....

MUZIEK

Er kan iets onherstelbaar vermoeiends uitgaan van negentiende-eeuwse natuurlyriek. Evocaties van landschappen, badend in het ochtendlicht of juist maanbeschenen en beklemmend in hun ondoorzichtigheid, ze worden vrijwel altijd met veel nadruk gebruikt om iets te zeggen over de gemoedsgesteldheid van de auteur. En dat ligt er dan zo dik bovenop: ze zijn te uitgesponnen en doelloos. De beeldentaal gaat in die verzen, vooral na de hoog-romantiek, dikwijls een eigen leven leiden en zegt dan meer over de onmatigheid van de auteurs dan over de precieze inrichting van hun emotionele huishouding.

De verzen neigen ertoe te gaan stil staan, rondjes te gaan draaien om hun eigen zelfgenoegzaamheid. Waar ze door componisten voor liederen zijn aangewend hoor je vaak aan de muziek hoe aanstekelijk die lyrische stilstand gewerkt heeft; het werden sierlijke pirouettes rond een idee. Als het tegen zit wordt de landelijke lyriek in die verzen dan landerig - maar als het goed gaat krijg je een fabelachtige verdieping, een schittering als in een peilloos diep reikende draaikolk.

Het ging goed, ja, geweldig goed in het liederen-programma dat de Amerikaanse bariton Thomas Hampson voor zijn eerste carte blanche had samengesteld. Dat kwam in de eerste plaats door de moeilijk te evenaren kwaliteit waarmee hij, zijn gast Barbara Bonney en de pianist Wolfram Rieger die liederen uitvoerden, maar het had wel degelijk ook te maken met het raffinement waarmee dat programma was opgebouwd. Dat liep van Mahler - de Mahler van Des Knaben Wunderhorn - via Hugo Wolf en Richard Strauss en vooral de Fransen, Ernest Chausson en Claude Debussy, naar Alban Berg en de Mahler van Das Lied von der Erde.

En het liep die route niet zozeer, dan dat het die kabbelend aflegde. Het programma als geheel leek de sfeer van de individuele liederen, van de teksten en de composities beide, te weerspiegelen. Zelden zal men zo behoedzaam binnen een paar uur van de laat-romantiek naar de Tweede Weense school zijn geleid, zo licht en tegelijkertijd zo onontkoombaar. Van de ennui die daar zo gemakkelijk in kan sluipen geen spoor.

Het was Hampsons carte blanche, maar door de generositeit waarmee hij zijn keuze had ingericht, leek het alsof hij zijn gast Barbara Bonney de gelegenheid wilde bieden de reikwijdte van haar expressiemogelijkheden te demonstreren. Het had daarom iets verzoenends toen ze elkaar, nadat ze afwisselend hadden geschitterd in liederen van Mahler, Wolf en Richard Strauss, vergezelden in een duet van Chausson, dat sprankelende Réveil.

Het was dat Franse uitstapje dat het programma lichtheid verleende, alsof het een verdieping naar boven aanbracht in de Weense zwaarmoedigheid. Chausson, de zeer lichte regen in Fauré's Pleur d'or en de uitdagende kekheid in Debussy's Chanson Espagnole, ze nemen het leven aanzienlijk speelser op de teksten van Richard Dehmel, of die nu door Strauss, Zemlinsky of Schönberg onder handen genomen zijn.

Tijdens het aan zijn keuze gewijde symposium van afgelopen zaterdag had Hampson al onthuld dat hij zich graag de geur en de kleur eigen maakt van de tijd waarin de liederen die hij zingt ontstaan zijn. Dat gaat soms gepaard met een grote zorgeloosheid waar het de historische feiten betreft, maar het verleent Hampsons vertolking een innemende vitaliteit. Die wellustige toewijding aan de laat negentiende-eeuwse liederen van zijn voorkeur is hoorbaar - en besmettelijk.

Michaël Zeeman

Meer over